Over John Jorna: Een thematische biografie.

 

Laatste publicatie: 26 – 08 – 2016.

 

Wanneer u de meest recente publicaties wilt lezen klik dan rechts op de lopende maand.
Wanneer u iets over een bepaald thema wilt lezen, klik dan meer naar onderen rechts op een categorie/rubriek.
Wanneer u een specifiek onderwerp zoekt gebruik dan de search = zoekfunctie rechts bovenaan!
 

Als u een artikel of onderwerp niet kunt vinden, gebruik dan de zoekfunctie (search) rechts boven  op de openingspagina. U krijgt dan een serie artikelen te zien, waar de zoekterm in voorkomt! Succes!

Welkom op deze site!

Welkom op deze site van John Jorna. Op deze openingspagina kunt u kennis met mij maken. Maar er komen nog meer rubrieken.  We blijven bouwen! Veel genoegen en laat gerust een reactie achter! U kunt onderaan een bericht of een pagina reageren door te klikken op “No comments” “of “1 comment” of meer! 

Nederlandstalige reacties kunnen worden geplaatst mits zij terzake zijn en niet anoniem, aan gebruikelijke gedragsnormen voldoen en geen commerciële achtergrond hebben.

Comments in the Dutch language can  be placed, when they are about the subject and decent and without a commercial background and never anonymus.

Inhoud

Korte levensbeschrijving

Opleiding en loopbaan

Hobbies en bezigheden

Scouting

Geografie

Politiek

Europa

Religie 

————————————————-

Korte levensbeschrijving

John Jorna werd op 24 mei 1934 in Arnhem geboren. Zijn geboortehuis stond in de Vogelwijk, die sinds kort tot monument verheven is, een gaaf voorbeeld van de tuindorpen, die na de Woningwet van 1901 gebouwd werden.

Zijn ouders waren Jan Jorna (1908-1953) en Riek Molle (1907-1996), die op 26 april 1933 in Arnhem in het huwelijk traden. Zij kregen vijf kinderen, John, Ben Wil, Angèle en Harrie. Ben is priester-missionaris van Mill Hill en tot maart 2010 werkzaam in India, nu rustend in Oosterbeek. De anderen zijn getrouwd en kregen kinderen, vijf neefjes en drie nichtjes.

Zelf trouwde hij in oktober 1961 met Cor Nieuwenhuizen, zijn collega op de O.L.Vr. van Fatimaschool in Arnhem. ‘Mijn Cor’ is geboren op 11 mei 1936 te Nijmegen. Haar ouders waren Frans Nieuwenhuizen (1903-1973) en Mien Reichgelt(1908-1988). Cor en John woonden van oktober 1961 tot februari 1967 in Arnhem en verhuisden toen naar Odijk, waar ze nu in 2015 48 jaar wonen in hetzelfde maar wel verbouwde huis.

Zij hebben drie kinderen. een zoon en twee dochters, alle drie veertig plus. Zij schonken ons drie kleindochters en drie kleinzoons.

Opleiding en loopbaan

Het leren begon op de kleuterschool van de Zusters van Liefde aan de Van Slichtenhorststraat in Arnhem. Daarna de O.L.Vrouwe Lagere School en vervolgens zat John van 1946 tot 1952 op het Katholiek Gelders Lyceum en behaalde daar het diploma HBS b. Van 1952 tot 1954 werd hij aan de R.k. Aartsbisschoppelijke Kweekschool St. Ludgerus te Hilversum opgeleid voor onderwijzer. Na twee jaar volgde de Hoofdakte en daarna de studie M.O. Aardrijkskunde tot eind 1963.

John werkte aan de St. Willibrordusschool te Spijk bij Lobith( 1954-1956), Aan de Fatimaschool te Arnhem (wijk de Hoogkamp)(1956-1964), een jaar aan het Dominicus College te Nijmegen (1964-1965) en een jaar aan de Paulus Pabo te Arnhem (1965-1966) en dertig jaar aan het Niels Stensen College te Utrecht (1964 – 1994).

Sedert 1994 is hij gepensioneerd en nog zeer actief zoals blijkt uit de titel van deze site. Zo ontving hij op 29 april 2009 een lintje: Lid van de Orde van Oranje Nassau. In april-mei 2014 onderging hij een zware open hart operatie. Midden 2015 is hij weer redelijk fit.

Hobbies en bezigheden in heden en verleden

Scouting

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Scouting door de Duitsers verboden. Daardoor ben ik nooit welp geweest, zo vertelt John. In de zomer van 1946 werd ik verkenner van de  Arnhemse Sint Maartengroep van de Katholieke Verkenners (KV). Ik maakte vijf zomerkampen mee en tijdens het zesde was ik op de Wereldjamboree in Bad Ischl (1951). Aan die jamboree hield ik een levenslange Oostenrijkse vriend over, Frits Zaussinger uit Tulln. Daarna werd ik voortrekker en werd in Hilversum geïnstalleerd. Tijdens de studie voor Hoofdakte en MO-akte stond het lidmaatschap af en toe op een zacht pitje. In 1963 werd ik voortrekkersleider van de Albrecht Rodenbachstam van de Sint Maartengroep in Arnhem en in 1967 Assistent District Commissaris in het District Utrecht met als taak de zorg voor de groepen buiten Utrecht. In 1972 richtte ik met anderen Scouting Odijk op en werd ook Secretaris van het Bestuur van het District Zeist van het door fusie ontstane Scouting Nederland. Het ging erom het nieuwe district goed op poten te zetten. Ik was ook lid van de Landelijke Raad. Het bleek moeilijk de vier verschillende culturen tot eenheid te brengen. De discussies waren vaak heftig, bijvoorbeeld over Wet en Belofte en over het verplichte uniform. Zeer ingrijpend was de motie over het niet deelnemen aan de Jamboree in het Iran van de Sjah. Er werd veel gemarteld. De Jamboree van 1979 kon door de revolutie niet doorgaan. Al was de motie verworpen, de geschiedenis gaf ons gelijk. Een andere les was, dat je er nooit op moet rekenen, dat een verandering van regime ook tot verbeteringen leidt.

In 1982 nam ik 48 jaar oud afscheid van Scouting en kreeg het Gouden Waarderingsteken van Scouting Nederland na al in 1972 de Gouden Jacobsstaf van de Katholieke Verkenners te hebben ontvangen. Al enkele jaren waren mijn aardrijkskundecollega’s aan mij aan het trekken

Geografie

Ik was al jong van plan om leraar te worden. Iemand adviseerde mijn vader mij eerst de kweekschool te laten doen om zo een betere didactische basis voor het leraarschap te krijgen, want in die tijd kreeg je op de universiteit nauwelijks enige voorbereiding op het vak van leraar. Ik had altijd al een grote maatschappelijke interesse en zodoende waren aardrijkskunde en geschiedenis mijn favoriete vakken. Bij mijn Hoofdakte examen had ik voor geschiedenis een acht, maar voor aardrijkskunde een negen en dus werd het aardrijkskunde.

Toen ik eenmaal aardrijkskundelaraar was, werd ik onmiddellijk lid van de Geografische Vereniging, die al vlug opging in het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG). Ik bezocht keurig allerlei vergaderingen. Al vlug ging het om het aardrijkskundeprogramma in de mammoetwet en daarna over een een Centraal Schriftelijk Eindexamen (cse). Als voorbereiding op een discussie binnen de Afdeling Onderwijs van het KNAG maakte ik een lijstje met vragen. Tijdens de vergadering speelde dat geen rol. De waardering kwam jaren later, toen een nieuwe voorzitter dat lijstje in het archief ontdekte. Ik deed met mijn eindexamenklassen mee met de proefexamens. Ze bleken nogal kennis gericht. Er werd weinig onderzocht of er ook inzicht was en of de kandidaat met zijn kennis iets kon doen. Intussen probeerden leidende figuren in het aardrijkskundewereldje een verplicht cse er door te drukken. De Landelijke Werkgroep Aardrijkskunde Onderwijs (LWAO) had andere ideeën over het aardrijkskunde-onderwijs en een verplcht cse paste daar niet in. DE LWAO wilde veel meer met werkstukken aan de gang, leerlingen zelfstandig laten werken en daar paste een vast programma niet bij. Een cse zou ontwikkelingen afremmen. Ik raakte betrokken bij de LWAO en de groep maakte een brochure ‘De toetsers getoetst’, waarin de slechte kwaliteit van de proefexamens en de gehele werkwijze scherp werden bekritiseerd. Nog een ander bezwaar was, dat centrale toetsing van een maatschappijvak als aardrijkskunde het bijzondere karakter van de scholen zou kunnen aantasten.

In een bewogen bijeenkomst met een paar honderd collega’s voerde ik het woord in discussie met onder andere een hoogleraar aardrijkskundedidactiek. Door de bestuurders en met name de vakinspecteur werd beweerd, dat het vak zonder cse uit de bovenbouw zou verdwijnen en dat zou uiteraard ten koste van veel arbeidsplaatsen gaan. Slechts 15% van de collega’s steunde vervolgens ons verzet en het cse zou er komen.

Op voorspraak van de onderwijsjournalist Ton Elias Sr. mochten wij onze argumenten bij de Staatssecretaris toelichten. Hij vond dat we goede argumenten hadden, maar waarom steunden onze collega’s ons niet. Wat keek hij verbaasd toe hij hoorde, dat gezegd was dat het vak in de bovenbouw zou worden afgeschaft. Daar was geen sprake van. Wij vermoedden, dat die vakinspecteur na ons vertrek een stevige uitbrander heeft gekregen.

Maar zo kwam ik wel in de Programmacommissie Eindexamen Aardrijkskunde vwo (PEA). Na ruim een jaar kwam die commissie met een programma. Ik had de onderdelen Bevolkingsgeografie en Politieke Geografie geformuleerd. Het programma werd als te zwaar en te uitgebreid beoordeeld, maar het resulteerde wel in een Methode voor de bovenbouw Gamma Aardrijkskunde met een handboek, dat het programma uitwerkte. Wij hebben die methode jarenlang gebruikt. Er ging een leerplancommissie aan het werk, maar daarbij was ik niet betrokken. Een ander resultaat was nog een artikel van mijn hand over waarden in het onderwijs en hoe men tot een gefundeerd oordeel kan komen. Eigenlijk pas ik de lessen van dit artikel nog steeds toe in mij werk als redacteur van Parochiekontakt Odijk.

De LWAO werkte intussen door aan nieuwe onderwijstechnieken. Bijzonder was ‘Aardrijkskunde vanuit de Trein’ . Leerlingen kregen een kaartje voor de lijn Utrecht Arnhem en kregen opdrachten om het landschap onderweg te bestuderen en bij stations uit te stappen en daar opdrachten te doen. Van alles moest een verslag worden gemaakt. We hebben dit project één jaar uitgevoerd, maar de collega’s vonden het helaas niet verantwoord vijftienjarige leerlingen zo zelfstandig te laten werken.

Een ander resultaat van het werken met de LWAO was een artikel waarin ik liet zien, dat in het Aardrijkskundewerldje een klein groepje de koers bepaalt en de massa alles slaafs uitvoert. Ton Elias Sr. schonk er aandacht aan in een stuk over verbetering van de schriftelijke examens. De collega’s klagen, maar ze laten die kleine incrowd toch beslissen.

Intussen ging de Mammoetwet verder en dus ook het vak aardrijkskunde. Er ontstond behoefte aan ondeling contact tussen de collega’s en zo richtten we in 1978 met een klein groepje De Kring Utrecht van het KNAG op. Ik werd voorzitter en ben dat bijna zestien jaar geweest. In 1994 ging ik met de VUT en ik vond, dat je je dan niet meer met het onderwijs moest bemoeien. De Kring bleek in de loop der jaren een groot succes. We organiseerden elk jaar zo’n vijf bijeenkomsten en vaak ook excursies. Het meest bijzonder waren de excursies naar de in aanbouw zijnde Kanaaltunnel en naar een nog actieve kolenmijn in de Belgische Kempen op een zondag als er niet gewerkt werd. Oook bedrijfsbezoeken aan o.a. Bredero’s Bouwbedrijven en het Hoofdkantoor van de Rabobank en Schiphol waren bijzonder.

Elk jaar organiseerden we ook de examenbesprekingen en vervolgens de centrale besprekingen. Daaruit kwam een aanvulling op het correctiemodel met antwoordenn, die ook goed waren. Maar dit model kreeg geen juridische status, want bij een poging daartoe werd te gemakkelijk iets goed gevonden en dat vonden de Cito-medewerkers terecht ontoelaatbaar. Was het een opzetje van de vakinspecteur?

Als Kring en als kringbestuur hadden we veel invloed door de adviezen, die we gaven over nieuwe didactische ontwikkelingen of nieuwe onderwerpen. We stimuleerden ook nieuwe ontwikkelingen. Zo organiseerde de Kring een bijeenkomst over de computer in het Aardrijkskunde-onderwijs. Daar waren mensen uit het hele land, die zich vervolgens aaneensloten om lesmateriaal voor de computer te ontwikkelen. Aardrijkskunde was daarmee een van de eerste vakken, die de computer bij het onderwijs inschakelden. Een ander voorbeeld was een nieuwe vorm van stedelijk veldwerk met scholieren. In groepjes van vier verkenden de leerlingen een wijk wat betreft het wonen, het werken, het verkeer en de voorzieningen. Ze kregen een fototoestel mee met een rolletje van twaalf foto’s. Daarmee moesten ze voor de wijk kenmerkende fot’s maken. Het rolletje werd bij een snelservice ontwikkeld en afgedrukt en de foto’s konden ze bij het verslag voegen. Als er tijd voor was konden de groepjes hun resultaat ook nog presenteren. Een van de punten van het verslag was of er goed was samengewerkt. De luilak viel zo door de mand. Met collega’s hebben we deze vorm in praktijk gebracht en andere scholen hebben het tot in Berlijn overgenomen.

Heel bijzonder was ook het symposium bij gelegenheid van het derde lustrum. Voor de zoveelste keer was de provincie en de samenwerking van de gemeenten rond de centrale stad in discussie. We brachten allerlei geografen bijeen, die werkzaam waren in het bestuur van provincie en gemeente. Ze kwamen er evenmin uit. Merkwaardig dat die discussie van 1993 vijftien jaar later nog steeds actueel is. Het bestuur Regio Utrecht kreeg een fikse draai om de oren van de Raad van State. De provincie bepaalt het Streekplan en daaraan is ook het BRU gebonden. Het mag niet zomaar nieuwe woningbouwlocaties voorstellen.

Eind 1987 werd het Niels Stensen College te Utrecht uitgekozen om Proefschool Nieuwe Media te worden. Onderzocht moest worden of met behulp van beeldplaat, Cd-Rom en databank (Internet was er nog niet) het aardrijkskunde-onderwijs andere of betere resultaten zou kunnen behalen. De vakgroep Onderwijsgeografie van de Utrechtse Universiteit ontwikkelde het lesmateriaal. Het ITS onderzocht dersultaten. De Aardrijkskundesectie voerde het experiment uit en overlegde ook regelmatig met de ontwikkelaars. Wij konden onze wensen uiten. Ons werk had landelijke en +internationale uitstraling. Tot uit Japan kwamen collega’s kennis maken. Overigens waren de resultaten van de deelnemende klassen niet beter dan de controleklassen en er was ook geen tijdsbesparing, want de uitleg van het werken met de computer en het schriftelijke lesmateriaal vergde extra tijd. Het gehele project was een hoogtepunt van mijn carrière in het aardrijkskunde-onderwijs.

Het laatste jaar, dat ik aan school verbonden was werkte ik mee aan het opzetten en uitvoeren en beoordelen van het veldwerk van de eerste Aardrijkskunde Olympiade. Het veldwerk en de olympiade verliepen goed en sindsdien zijn er elk jaar olympiades geweest. De winnaars doen ook mee aan de internationale olympiade. Onze ervaring met het organiseren van het veldwerk was, dat het zeer moeilijk is mensen van verschillende opleidingen en een verschillende visie op het vak te laten samenwerken. Dat leidde ertoe, dat het veldwerk sindsdien door medewerkers van één instituut wordt verzorgd.

Na mijn afscheid adviseerde ik nog een tijd bij de ontwikkeling van een programmaserie voor de NOT, de Nederlandse Onderwijs Televisie. Het ging om een serie van vier programma’s over duurzame ontwikkeling.

Maar vooral leverde ik commentaar op allerlei ruimtelijke plannen. Voorbeelden waren de plannen voor landinrichting in het Kromme Rijngebied. Ik schreef toen voor het bled Geografie een artikel over de behandeling van dit onderwerp in de klas. Voorts de bestemmingsplannen voor de drie dorpen van de gemeente Bunnik. Veel vermorste tijd was er voor de plannen om de capaciteit van de A12 en de spoorlijn tussen Utrecht en Arnhem te vergroten. Uiteindelijk zijn er geen plannen meer om de spoorlijn te verdubbelen. Wel zijn er ideeën voor het Station Driebergen-Zeist. Daar komen vier sporen, zodat snelle treinen de stoptreinen kunnen passeren. Over Randstadrail hoor je op dit traject weinig. Recent vragen de plannen voor een verbinding tussen de Rondweg van Houten en de A12, het zogenaamde A12 SALTO project veel aandacht, maar daarover volgt meer elders op de site.

Politiek

Wat betreft mijn belangstelling voor politiek ben ik een aartje naar mijn vaartje. Mijn vader was propagandist voor de R.k. Staatspartij in de periode vóór de Tweede Wereldoorlog. Daarna werd hij lid van de KVP. Ik leefde volop mee met de emancipatiestrijd van de Rooms-katholieken in Nederland en vond ook dat je als katholiek op de KVP hoorde te stemmen. Behalve in ons eigen buurtje had ik nauwelijks contact met niet-katholieken. Je was ‘opgesloten’ in je eigen zuil.

Op de Kweekschool in Hilversum was ik lid van de Politieke Club, die regelmatig studiebijeenkomsten hield. Als voorbereiding van de Nieuwe Onderwijzersopleiding hadden wij een groot project, waaraan allerlei vakken meededen en ik koos voor het onderwerp ‘Politiek en Bestuur’. We organiseerden ook scholierenverkiezingen. De kiesgerechtigde leeftijd lag nog bij 21 jaar. Het ging niet alleen om de Tweede Kamer, maar ook om de Amerikaanse Presidentsverkiezingen en de houding tegenover de Europese Eénwording, die zeer positief bleek. Nog tijdens mijn kweekschooltijd was ik lid geworden van de Europese Beweging in Nederland.

Tijdens mijn studietijd voor Hoofdakte en MO Akte Aardrijkskunde bleef mijn belangstelling, maar ik was geen lid van een politieke partij. Vooral bij Aardrijkskunde werd mijn basis verdiept. Ik koos ook vaak politieke onderwerpen. Zo maakte ik een scriptie voor Volkenkunde ofwel Culturele Antropologie over de bestuurssystemen van de Ashanti in Ghana en het Koninkrijk Dahomey met verwijzingen naar het Koninkrijk Buganda in Oost Afrika. Ik kreeg meer inzicht in de invloed van het bedrijfsleven op de politiek.

Toen ik in Odijk woonde was ik aanvankelijk lid van de KVP. Toen al, eind jaren zestig begon het beknibbelen op jeugdwerk en onderwijs en daarom schortte ik mijn lidmaatschap op. Ik stemde geen KVP meer maar PPR en werd uiteindelijk rond 1978 lid. De afdeling, aksiesentrum genoemd, was wat ingedut. Met een klein groepje kwamen we af en toe bijeen. In 1982 bleek niemand bereid om namens de PPR op de lijst van het PAK te gaan staan. In plaats daarvan riepen wij onze kiezers op te stemmen op de PSP, die voor het eerst meedeed. Ze haalden inderdaad een zetel. Sommige PvdA leden waren er niet zo blij mee. In 1986 kwam er een PPR-PSP-lijst en we behaalden twee zetels, waarvan één restzetel. Ik had met Jan-Willem het gezamenlijk programma opgesteld. We waren zeer actief en zeer kritisch en daar waren de andere partijen niet altijd blij mee, maar de bevolking wel, want in 1990 haalden we als GroenLinks de twee zetels royaal. Zo ook in 1994. Het PAK was uiteengevallen. D66 haalde twee zetels maar de PvdA slechts één op een paar stemmen na twee. Hadden ze een lijstverbinding aangedurfd, dan hadden ze met twee in de Raad gezeten. Alle reden om meer samenwerking te zoeken. We organiseerden gezamenlijke bijeenkomsten per dorp, waar dan een actueel thema aan de orde kwam. In 1997 mondde dit uit in de oprichting van Perspectief 21, een lokale progressieve partij, waarvan ook mensen lid konden worden, die niet lid waren van een landelijke partij. Leden van de Partij van de Arbeid  en van GroenLinks zijn automatisch lid van Perspectief 21. Bij de voorbereiding van de oprichting heb ik veel werk verzet bij het opstellen van de Statuten en een Toekomstvisie, die als basis voor de nieuwe partij kon dienen. Ik deed opnieuw mee met het opstellen van het verkiezingsprogramma en ook voor de periode 2002-2006. Pas de een na laatste keer voor de periode 2006-2010 zat ik voor het eerst in twintig jaar niet in de programmacommissie.

Perspectief 21 is een succesvolle partij!  Toen we de eerste keer in 1998 meededen haalden we vier zetels en bleven toch buiten het College van B&W. De drie andere partijen zetten hun coalitie voort. In 2002 haalden we vijf zetels en de meeste stemmen en kwamen in het College. In 2006 werden het zes zetels, twee wethouders en een coalitie met het CDA: vijf zetels en één wethouder naast de CDA burgemeester. In 2010 werden het zeven zetels en opnieuw twee wethouders naast een wethouder van de Liberalen. Genoeg over de plaatselijke politiek. Daarover is een aparte rubriek.

Ik was ook actief op provinciaal niveau en werkte in 1997 mee aan het programma en aan de campagne, die toen zeer succesvol verliep voor GroenLinks.  Als ik mij goed herinner acht zetels in Provinciale Staten, die toen nog meer leden had. Zelf stond ik ook op de lijst als’aanbevelingskandidaat’ en behaalde in de gehele provincie Utrecht precies honderd stemmen. Bij latere verkiezingen beperkte ik mij tot amendering van het programma en tot het meewerken aan de plaatselijke campagne. In de gemeente Bunnik scoort GroenLinks elke keer weer uitstekend. Met ons percentage staan we landelijk op de tiende of twaalfde plaats en in de provincie scoort alleen de stad Utrecht met zijn vele studenten beter.

Ook landelijk waren we als afdeling Bunnik actief, met name door amendering van verkiezingsprogramma’s. Ik ben ook lid van de Europawerkgroep van GroenLinks en steunlid van de Europese Groene Partij (EGP). Met onze Bunnikse amendementen en via discussies slaagden wij er in van GroenLinks een partij te maken, die het onontkoombare van een echt verenigd Europa inziet en zich daarvoor inzet. Daarom volgt nu een paragraaf over Europa en is er een aparte rubriek Europa.

Europa

Wat zorgt ervoor, dat ik zo’n enthousiast Europeaan ben? Welke gebeurtenissen in mijn leven dragen daaraan bij? Welke mensen inspireren mij? Hoe dragen mijn geografisch kennis en inzicht daaraan bij? Ik vraag het mij af en toe af als ik het Euroscepticisme van anderen meemaak.

Ik heb voorouders, die uit het buitenland stammen. De ouders van mijn grootmoeder van vaders kant stamden uit Zeeuws Vlaanderen en wij hadden familie in België. In de zomer van 1954 heb ik ze bezocht. De familie van mijn grootvader van mijn moeders kant stamde uit Westfalen en het aangrenzende Nedersaksen. Ik heb de plek waar zij woonden enkele malen bezocht. Mijn opa van vaders kant kwam uit Friesland en in de familie van mijn oma van moeders kant waren handelaren, die graan opkochten in Duitsland om door te verkopen aan de jeneverstokerijen in Schiedam. Misschien, dat er in de familie toch een wat internationaler sfeer heerste, al merkte ik als kind daar niet zo veel van.

Ik was bijna zes toen voor Nederland de Tweede Wereldoorlog begon. Ik volgde de ontwikkelingen op de slagvelden heel goed. Ik was mij ervan bewust hoeveel slachtoffers die oorlog eiste. Je was voortdurend bang, dat je vader bij een razzia zou worden opgepakt om in Duitsland te moeten werken. Ik was ook vreselijk gelukkig toen we door de Canadezen bevrijd werden. Ik herinner mij, dat ik naast mijn vader liep en over een projectiel stapte en zei, dat ik zo blij was. Toen bleek hoe politiek bewust hij was, want zijn antwoord was, dat een nieuwe vijand ons bedreigde, de Russen met hun goddeloze communisme. Inderdaad, mijn vader kondigde de Koude Oorlog aan direct na de bevrijding. De bereidheid tot samenwerking werd door de gemeenschappelijke vijand, het communisme, zeker beïnvloed.

Ik ging als tiener begrijpen, dat we in Europa naar vrede zouden moeten streven, naar goede verhoudingen tussen de staten en met name een betere verstandhouding met Duitsland. En toen kwam Robert Schuman, de Franse minister van Buitenlandse Zaken met zijn manifest en het plan een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) op te richten. Als staal Europees werd zou het moeilijk worden weer een oorlog te beginnen. De zes lidstaten gingen door met een plan voor een Europese Politieke Gemeenschap nodig voor een Europese Defensie Gemeenschap. De plannen gingen niet door. Frankrijk had het leger nodig in Vietnam en Algerije. Dat was een teleurstelling, maar de EGKS was een succes en dus moest men doorgaan op economisch gebied en zo kregen we de Europese Economische Gemeeenschap en de Euratom. En intussen woonde ik als burger een congres van de Europese Beweging bij en werd als negentienjarige lid van de EBN, voorstander van een federaal Europa. Dit jaar 2008 ben ik 55 jaar lid.

En als zeventienjarige had ik de Jamboree in Bad Ischl meegemaakt en dat versterkt het gevoel van internationale verbondenheid met gemeenschappelijke idealen heel sterk. Bij mijn eindexamen HBS b in 1952 maakte ik voor Nederlands een opstel met als titel “De Verenigde Staten van Europa”. Ik had geen politiek onderwerp moeten kiezen, zei mijn docent, want stel, dat de gecommiteerde het niet eens zou zijn met mijn visie. Het liep goed af. Vrijwel iedereen was in die tijd voor een verenigd Europa. Als jong onderwijzer pleitte ik binnen de vakvereniging voor aandacht voor Europa in het onderwijs en met name in de aardrijkskunde- en geschiedenismethoden. Want uit zich zelf doen leerkrachten er niet veel aan.

Het is niet zo gemakkelijk de Europese Eenwording in het Aardrijkskunde-onderwijs te behandelen. In de kern is het een politiek, economisch en juridisch proces. Bij Aardrijkskunde gaat het vooral om de ruimtelijke processen en de ruimtelijke neerslag van die processen. Van die ruimtelijke neerslag was aanvankelijk nauwelijks iets te merken. Je kon aangeven wat er ruimtelijk gezien zou kunnen veranderen. Als de onderlinge handel door het wegvallen van invoerrechten toeneemt, betekent dat meer goederenstromen over de weg, per spoor en per schip. Dus moeten er meer wegen komen. Op weg naar mijn werk in Spijk bij Lobith(1954 – 1956) volgde ik de route Arnhem, Westervoort, Duiven, Zevenaar, Babberich, Elten, Spijk. Dat was tevens de internationale route van de Randstad naar het Ruhrgebied. Er was nauwelijks vrachtverkeer en de weg was na Babberich smal zonder fietspaden en zonder verlichting. Vergelijk dat eens met het huidige verkeer over de A12. In de rubriek Europa ga ik hierover een apart artikel schrijven.

Gedurende mijn werkzame leven probeerde ik vooral de aandacht voor Europa in het Aardrijkskunde-onderwijs te bevorderen door cursussen te volgen en zelf lesmateriaal te ontwikkelen en de Europese dimensie bij tal van onderwerpen aan de orde te stellen. Daarbij steunde ik op steeds meer literatuur, ook geografische. Daarnaast leerde je veel over politieke stelsels over de gehele wereld en met name die van landen met een federale structuur zoals de Verenigde Staten van Amerika en de Duitse Bodnsrepubliek. Dat biedt je de mogelijkheid mee te denken over de structuur van de Europese Unie en dat ging ik met name doen, toen GroenLinks van de grond gekomen was en ideeën over Europa begon te ontwikkelen, kwam ik via amendementen en intern overleg met veel ideeën. De partij werd van Eurosceptisch een enthousiaste pro-Europapartij.

Begin jaren negentig ontstond de Europawerkgroep binnen GroenLinks en daarvan ben ik sindsdien lid. Op de site van GroenLinks vindt men over onze werkgroep veel informatie. Mijn rol is tamelijk beperkt. Ik ben een meedenker vanuit mijn ervaring. Twee keer heb ik meegedaan met een discussie “De Toekomst van Europa”. Een zestal mensen heeft een beeld geschetst van de Europese Unie in 2030. De bedoeling is tijdens een afdelingsbijeenkomst ne drie of vier mensen op te treden en elk een visie te verdedigen. Zelf verdedig ik het “Europa van de Regio’s”. Daarbij ventileer ik ook ideeën uit mijn eigen stuk “De Verenigde Staten van Europa”, waarin ik als 96 jarige een beschrijving geef van het voor mij ideale Europa en vertel, hoe dat tot stand is gekomen. U vindt het stuk (straks) bij de rubriek Europa.

De Europawerkgroep organiseert ook vaak andere discussies, werkt mee aan partijprogramma’s of amendeert ze en heeft ook veel internationale contacten. Heel bijzonder is ook het “diner-pensant” op Europadag, 9 mei, waarbij men bij elke gang van tafel wisselt en dan discussieert met een deskundige. Ik ben vanzelfsprekend een van de oudste leden van de werkgroep, noem mijzelf wel eens de Europa-opa, maar het leuke is, dat er zoveel jonge mensen in de werkgroep actief zijn. Binnen de partij heeft onze Europawerkgroep een zeer goede naam.

Religie

De godsdienst is een constante in mijn leven. Het geloof in God en Zijn Zoon Jezus van Nazareth is voor mij een richtsnoer, een bron van inspiratie en een werkelijke steun in het leven. Eigenlijk zeg ik hier drie keer hetzelfde. Het is vooral de figuur Jezus van Nazareth, die voor mij een voorbeeld is. Hij was goed voor de mensen. Hij genas de zieken, hij vergaf de mensen, die zich slecht hadden gedragen. Hij ging met iedereen om, maar was wel kritisch naar de rijken en naar de mooipraters, die zich prachtig konden voordoen en intussen er een potje van maakten. Zo probeer ik ook in het leven te staan, maar ik bereik natuurljk nooit Zijn volmaaktheid. Zijn levensprogramma vind je vooral terug in de Bergrede, mijn favoriete Bijbelpassage. Jezus houdt ons daarin idealen voor. Hij was geen man van verboden en geboden.

Geloof ik in het Goddelijke en wat voor beeld heb ik van God? God is geen natuurverschijnsel met een bepaald Soortelijk Gewicht en een bepaalde temperatuur en een bepaalde chemische samenstelling. God gaat ons weten en begrijpen te boven en soms vind ik allerlei theologen, bisschoppen en zelfs de paus een beetje arrogant als ze beweren mij te kunnen uitleggen wie God is en hoe Hij is. Het is als met de liefde. Die kun je ook niet zien of horen of ruiken. Het bestaan zie je in de effecten. Zo sta ik soms verbaasd over de manier waarop dingen kunnen verlopen. Luister hoe mensen hun partner ontmoeten of een inspirerende mens, die zorgt voor een keerpunt in een leven. Soms vraag ik mij af of het alleen maar toeval is, dat je met een mens in nood in aanraking komt en iets voor hem of haar kunt betekenen en dan hoop ik maar dat God ons mensen leidt, voor ons zorgt en er voor ons is. Ik ben, die ben.

Maar waarom dan een kerk? God en Zijn Zoon komen tot leven in verhalen en die verhalen moeten worden doorverteld en nageleefd. Dat vraagt een gemeenschap, die voor elke tijd de betekenis van die oude verhalen opnieuw interoreteert. In die gemeenschap zijn we er voor elkaar zoals Jezus er is voor ons allen. We geven elkaar steun en troost. We inspireren elkaar en laden ons op voor onze dienst aan de wereld. Ik zie elke keer weer, dat we hier in de H. Nicolaasparochie in Odijk dat waar maken. Met al onze onvomaaktheid en met alle mislukkingen.

Begrijp ik, dat er mensen de Kerk verlaten? Ja zeker en soms denk ik ook wel eens: Hoe houd ik het uit in deze kerk. Maar alle twintig eeuwen van zijn bestaan zijn er altijd weer afsplitsingen geweest en dat gaf alleen maar narigheid. We zullen het met elkaar moeten uithouden. Soms is mijn kerk ontzettend fout bezig en iedereen kent de voorbeelden. Gelukkig krijgt het ene na het andere Larijns Amerikaanse land een wat eerlijker regering, die er niet alleen is voor de rijken. Voor mij is het verbieden van de bevrijdingstheologie een enorm schandaal. Als je gebruik maakt van de methode van de marxistische maatschappijanalyse: Wie heeft er voordeel bij een bepaalde ontwikkeling, dan wil dat niet zeggen dat je bent als de Stalinisten in de vroegere Sowjetunie.

Ik ben dus een kritische katholiek vooral verbonden met de plaatselijke geloofsgemeenschap en ik voel mij verbonden met allen, die Jezus van Nazareth willen navolgen in welke kerk dan ook. Ik voel mij verantwoordelijk en wil die verantwoordelijkheid ook metterdaad waarmaken. Op die manier ben ik ook al bijna twintig jaar redacteur van ons parochieblad ‘Parochiekontakt’, inmiddels “Open Venster” , editie Odijk, parochieblad voor de Johannes XXIII parochie in het Kromme Rijngebied. Raadpleeg daarvoor de betreffende rubriek.

Leave a Reply