Archive for maart, 2012

Bezoek aan het Vlaamse Ieper

zaterdag, maart 31st, 2012

THE GREAT WAR 1914 – 1918

De Grote Oorlog, zo noemen de Britten de Eerste Wereldoorlog. Nederland was toen neutraal en misschien, dat ik daardoor slechts in grote lijnen op de hoogte was van deze oorlog. Een bezoek aan het Belgische Ieper en omgeving drukt je met je neus op de afschuwelijke werkelijkheid. Alleen daar sneuvelden 185.000 militairen van het Britse Gemenebest: Britten, Canadezen, Australiërs en Nieuw-Zeelanders. Wandelend in de omgeving kom je steeds weer de militaire begraafplaatsen tegen. Heel vaak staat er op een grafsteen “Soldier of the great war, known unto God”. Duizenden konden niet meer geïdentificeerd worden. Duizenden zijn nooit gevonden. Elk jaar worden nog dertig keer de stoffelijke resten van een gesneuvelde geborgen. Het lijkt of de oorlog er nooit eindigt.

Ieper is een knooppunt van wegen, dus van groot strategisch belang. Gedurende de gehele oorlog lag er Oostelijk van Ieper een boogvormige uitstulping in het front, de “Ypres Salient”. Aanvankelijk lag de frontlijn zo’n 5 KM Oostelijk van de stad. Tussen 1915 en 1917 was er weinig beweging in het front, maar toen konden de Geallieerden wat oprukken tot 8 KM van de stad. Bij dergelijke grote veldslagen viel 80% van de doden. Toen Rusland in 1918 capituleerde kregen de Duitsers meer manschappen tot hun beschikking en rukten ze op tot vlak voor de stad. Vanaf de heuvels schoten ze Ieper volledig aan puin. Als je in de stad bent en de “Middeleeuwse” gevels ziet, moet je je wel realiseren, dat alles na die oorlog weer is opgebouwd.

Rond de stad is een systeem van wandelknooppunten opgezet. Je kunt dus van knooppunt naar knooppunt wandelen en onderweg wordt ook steeds de route aangegeven. Dan kom je overal militaire begraafplaatsen tegen. Ze worden keurig onder houden door de “Commonwealth War Graves Commission”. Soms staat er namen op de identieke grafstenen en ook de leeftijd, vaak heel jong. De doden werden , als dat kon,  dichtbij de plek begraven, waar ze gesneuveld waren. Na de oorlog is daar enige orde in gebracht. Enkele keren lazen we, dat de begraafplaats zo zeer onder vuur had gelegen, dat de afzonderlijke lichamen niet meer te onderscheiden waren. Dan was er bijvoorbeeld een ring van grafstenen opgericht. Het maakt je wel stil. Ergens ligt de spoorlijn Ieper – Komen in een doorgraving. Van de weggegraven grond waren twee heuvels gemaakt. Heuvel 60 werd eerst door de Duitsers ondermijnd, waarna ze een springlading lieten ontploffen. Zo konden ze de heuvel veroveren. Een Australisch mijnwerkerskorps deed hetzelfde, maar nog grondiger. Nu nog ziet de heuvel eruit als een soort maanlandschap met grote en kleine kraters. Aan de andere kant van de spoorlijn werd een heuvel door de Britten met zo ‘n kolossale springlading opgeblazen, dat er een krater ontstond van 80 M doorsnede en 15,5 M diep, die er nog steeds te zien is. Hier en daar vind je ook informatiepanelen met bijvoorbeeld een foto van de situatie bij het eind van de oorlog. Nu is het een vriendelijk landschap van bos en weide, toen een verwoest bos.

Er is een sterke opleving van de belangstelling voor dit voormalige oorlogsgebied. We zagen Britse bussen van de ene naar de andere begraafplaats rijden. We kwamen scholieren tegen, die als wij de wandelroutes volgden. Het meeste indruk maakt toch de dagelijkse “Last Post” bij de Menen Poort. Deze moderne poort aan de oostzijde van de oude stad is door de Britten gebouwd als een kolossaal gedachtenismonument voor al die 54.000 Gemenebestmilitairen, waarvan de stoffelijke overschotten nooit gevonden zijn. Hun namen staan in de muren van de poort gebeiteld. Elke avond verzamelen zich honderden mensen van alle leeftijden, heel veel scholieren en studenten om te luisteren naar het blazen van de Last Post en vervolgens hun kransen, bloemen of kruisjes bij het monument te plaatsen. Zo wordt ook de jonge generatie doordrongen van het inzicht hoe dwaas en hoe verschrikkelijk oorlog kan zijn. Opdat wij nooit vergeten!

Jaargang 5, Nr. 208.

Grensoverschrijdende samenwerking

vrijdag, maart 23rd, 2012

GRENZEN BLIJVEN GRENZEN

Zo’n veertig jaar geleden zagen we de Europese integratie vooral als het wegvallen van grenzen tussen de nationale staten. Die grenzen zouden even onopvallend worden als de grenzen tussen onze provincies of onze gemeenten. Daar zie je soms een bord met welkom in de provincie Utrecht of de gemeente Houten. Soms verandert het wegdek als je een gemeentegrens passeert of krijgt de weg een andere naam. Zo wordt het Bunnikse Oostromsdijkje in Houten het Oostrumsdijkje. De grens tussen de provincies Utrecht en Noord-Holland is bij Hollandse Rading (Rading betekent grens) kaarsrecht, maar je moet echt op de grenspalen letten om de grens ook echt te zien.

Maar de grens tussen Nederland en Duitsland is ondanks het wegvallen van de grenscontrole toch duidelijk waarneembaar. Iets andere verkeersborden, andere plaatsnaamborden, andere wegwijzers, maar ook andere huizen met een andere baksteen, kleinere ramen, dikkere muren en vaak wat andere daken. Bij de autosnelwegen zijn de verschillen minder, maar toch aanwezig.

Anderhalve eeuw geleden waren de grenzen van weinig betekenis. Het waren staatkundige grenzen met aan weerszijden een ander politiek-juridisch systeem en een ander staatkundig gezag. Er was nog weinig internationale handel en nauwelijks toerisme, dus weinig grensoverschrijdend verkeer en ook weinig grensoverschrijdende spoorlijnen, verharde straatwegen of kanalen. Aan beide zijden werd hetzelfde dialect gesproken. Men bezocht elkaars kermissen en schuttersfeesten en bijgevolg werd er ook over de grens getrouwd en zocht men aan beide zijden naar werk.

Dat veranderde met de Industriële Revolutie. Massafabricage betekende behoefte aan veel grondstoffen en steenkool voor de stoomaandrijving van de machines en behoefte aan een grotere afzetmarkt. De internationale handel nam sterk toe. Alles vroeg een politiek antwoord met wetgeving op economisch gebied. Scholing van de beroepsbevolking werd steeds meer nodig. Er kwam volksonderwijs en in Nederland werd ABN en in Duitsland Hoogduits onderwezen. Grenzen werden economisch van betekenis en werden taalgrenzen. De omvang van de overheid nam en neemt toe, want er moet steeds meer geregeld en gecontroleerd worden. Aan beide zijden van de grens ontstond een geheel verschillende ambtelijke cultuur met eigen regelgeving. Dat gaat nog steeds door. Zeer veel terreinen van wetgeving blijven voorbehouden aan de nationale staten en daar waar Europese richtlijnen worden omgezet in nationale wet- en regelgeving heeft ieder land toch weer een andere bestuursstijl en een ander wetgevingssysteem. Europese integratie heeft er niet toe geleid, dat de verschillen verdwijnen.

In de grensgebieden van de EU bestaan zogenaamde Euregio ’s. Ze krijgen een beperkt budget van de EU om de samenwerking te faciliteren, maar grensoverschrijdende projecten kunnen er niet uit betaald worden. Bij een bijeenkomst van de Europawerkgroep in Nijmegen hoorden we van Florian Gödderz hoe moeilijk samenwerking kan zijn. Een gezamenlijke bijeenkomst van ouderen is moeilijk doordat er in Duitsland geen ouderenbonden met plaatselijke afdelingen zijn. Discriminatiebeleid is in Duitsland over allerlei instanties verdeeld, bij de Kreis of zelfs bij de Bond. Een praktisch voorbeeld is de poging om de vroeger zeer belangrijke spoorlijn Amsterdam-Amersfoort-Rhenen-Kesteren-Nijmegen-Kleef tussen Nijmegen en Kleef te reactiveren. Dat zou als tram of als tramtrein of als kleine trein kunnen. Studenten reizend naar station Nijmegen Heyendaal zouden ervan kunnen profiteren. Of er vanuit Groesbeek, Kranenburg en Kleef veel vraag naar is, werd niet zo duidelijk, maar er zijn rapporten over. De kosten zijn niet erg hoog in vergelijking met andere infrastructurele projecten, dertig miljoen. Het zou een manier zijn om meer grensoverschrijdende interactie te krijgen. Eigenlijk had ik daarover veel meer willen horen.

Er is wel een opvallend verschijnsel. Veel Nederlanders gaan in Duitsland wonen, waar de huizenprijzen veel lager zijn. In Kranenburg zijn het er zoveel, dat het onderwijs op de Volksschule tweetalig is geworden. Maar als de kinderen naar het Nederlandse secundair onderwijs willen, krijgen zij de boeken niet gratis. Dat wordt dus een dure liefhebberij. De Nederlanders in Kranenburg doen al veel mee met het dorpsleven. Ze zijn lid van sportclubs en een Nederlandse vrouw is lid van de gemeenteraad.

Samenwerken met de Grünen blijkt hier moeilijk, maar in Twente vinden actiegroepen aan weerszijden van de grens elkaar wel. In Kurort Bentheim zullen ze net zo goed last hebben van een opwaardering van vliegveld Twente. Daar hebben ze ook last van een militair oefenterrein, waar men piloten traint in het afwerpen van bommen. Over en weer bezoekt men elkaars demonstraties.

Een Luchthaven Twente zou veel werkgelegenheid opleveren. Het bedrijfsleven stimuleert het sterk. Oad zou er vakantievluchten kunnen laten vertrekken. Maar op geringe afstand zijn er concurrerende luchthavens. Er zouden zich bedrijven kunnen vestigen, die de laatste montage doen aan elektronica, maar probeer maar eens te concurreren met Schiphol, dat veel meer intercontinentale verbindingen heeft. Ik herinner mij ons zomerkamp in 1949 in Lonneker. De eerste dag zeiden sommige jongens, dat ze het wel leuk vonden, dat er steeds Meteor straaljagers over kwamen. De rest van de week vervloekten ze het lawaai. Zo zouden de vele toeristen ook uit Twente weg kunnen blijven en dat zou een groot verlies aan werkgelegenheid opleveren. Doordrammen van de luchthavenplannen zou Twente wel eens veel geld kunnen kosten en weinig opbrengst opleveren.

Mijn conclusie voor deze avond was, dat grensoverschrijdende samenwerking soms leuke dingen oplevert, maar dat er nog zoveel hinderpalen zijn. Op allerlei niveaus moet daaraan gewerkt worden.

Jaargang 5, Nr. 207.

Wapenspreuk van Kardinaal Eijk

vrijdag, maart 16th, 2012

WEIGER HET WERK NIET

Het lijkt een sympathieke wapenspreuk. Hij doet mij denken aan het motto van Scouting “Weest paraat!”. Sta altijd klaar als er een goede daad te doen is. Eens scout, altijd scout! Het motto spreekt mij nog steeds aan. Maar het is niet hetzelfde als de wapenspreuk van Kardinaal Eijk. Die doet mij denken aan het beruchte “Bevel is bevel!”, waarop ondergeschikten zich vaak beroepen als zij in opdracht van hun baas foute dingen hebben gedaan. In ander verband heb ik al vaker gezegd, dat je aan een opdracht nooit zonder meer mag gehoorzamen, maar altijd moet overwegen of die niet strijdig is met de wet of met jouw integriteit of met het goede fatsoen of met de naastenliefde. De toch wat absoluut klinkende wapenspreuk kent die twijfel niet.

Van wie krijgt een bisschop dan orders? Een bisschop kent eigenlijk niemand boven zich, ook niet de paus of de curie, het ambtelijk apparaat rond de paus. De paus is de eerste onder zijns gelijken. Alleen een vergadering van alle bisschoppen met de paus, een concilie, staat boven een afzonderlijke bisschop. Maar dit is de theorie. Een bisschop moet sterk in zijn schoenen staan om een krachtig eigen beleid te kunnen voeren. Pas als hij dan zou handelen in strijd met de kerkelijke leer of de kerkelijke regels kan hij problemen met de centrale leiding van de kerk krijgen.

Veel van wat van Rome komt valt te interpreteren. Je kunt het letterlijk nemen, maar als bisschop kun je het in tamelijk gematigd beleid omzetten. Je kunt ook rekening houden met de eigen cultuur en de lokale omgangsvormen. Je kunt je eigen accenten leggen. Dat ligt niet in het karakter van Kardinaal Eijk. Hij vindt dat regels er zijn om je aan te houden en hij wil de regels ook uiterst gestreng handhaven. Wie niet gehoorzaamt vliegt eruit! Veel priesters weten heel goed, dat dit slecht zal vallen bij de mensen. Een voorbeeld. Een katholieke vrouw is keurig getrouwd met een gedoopte protestant, actief kerklid, maar ook vaak samen met zijn vrouw aanwezig in katholieke vieringen. Hij erkent de werkelijke aanwezigheid van Jezus in de H. Hostie en wil dan graag samen met zijn vrouw te communie gaan en zeker als een van hun kinderen de Eerste H. Communie doet of het H. Vormsel ontvangt. De officiële kerkelijke autoriteiten keuren dat nog steeds niet goed. Ze beseffen nauwelijks welke pijn zij veroorzaken en hoe verontwaardigd de mensen zijn. Zo zijn er priesters die de communie weigeren aan gescheiden mensen en dus zo’n een derde van de kerkleden buitensluit.

Dat rücksichtlos handhaven van de regels is ook een maatschappelijk verschijnsel. Met name de PVV eist, dat rechters strenge straffen uitdelen en wil zelfs minimumstraffen instellen. Weigerambtenaren moeten gedwongen worden homohuwelijken te registreren. Joden en Islamieten moeten gedwongen worden zich voortaan niet langer aan de eigen voorschriften voor het slachten te houden. Het gebruik van softdrugs wordt aan veel strengere regels gebonden, zodat drugsgebruik weer gecriminaliseerd wordt. Dat dwangmatige denken loopt ook dwars door alle partijen heen. Een beroep op eigen verantwoordelijkheid wordt alleen nog gedaan als dat financieel goed uitkomt.

Maar als je mensen op deze manier leert automatisch te gehoorzamen, dan kom je in de problemen als een overheid of een kerkleider of een werkgever iets van mensen eist, dat echt niet kan. Bij psychologische proeven is bewezen, dat proefpersonen nauwelijks in staat waren weerstand te bieden aan bevelen om iets te doen, waarvan ze wisten, dat het verkeerd was. Dat zagen we en zien we ook in de werkelijkheid gebeuren.

Kardinaal Eijk beseft waarschijnlijk nauwelijks hoe vreselijk onverantwoord zijn manier van leiding geven is. Hij leert mensen automatisch te gehoorzamen. Het moment voor een krachtig neen komt nu wel heel erg dichtbij.

Jaargang 5, Nr. 206,

Martijn van Dam wil duidelijk zijn tegen gelovigen

vrijdag, maart 9th, 2012

HET MANDEMENT VAN MARTIJN

Martijn van Dam is een van de kandidaten voor het fractievoorzitterschap van de PvdA in de Tweede Kamer. In de Volkskrant van vandaag 9 maart publiceert hij een opiniestuk, waarin hij stelt, dat de Partij van de Arbeid als seculiere partij geen enkele invloed van religies op de politiek mag accepteren als die de individuele ontplooiing van de mens in de weg staat. Het stuk is zo afwijzend naar religie, dat het mij deed denken aan het Mandement van de Nederlandse bisschoppen van 1954, waarin lidmaatschap van NVV en PvdA en luisteren naar de VARA werd verboden. Daarmee is het stuk van Martijn een terugkeer naar de verzuiling. Het wordt weer beter voorstelbaar dat het met de Doorbraak nooit wat geworden is.

In het stuk komen ook historische onjuistheden voor. De tegenstelling Rooms-Rood zat traditioneel niet in kerkelijke opvattingen, maar in een strijd om de macht tussen de Katholieke zuil en de Socialistische zuil. In de ogen van veel socialisten speelden de Katholieke Kerk en de werkgevers onder een hoedje en inderdaad was de rol van sommige pastoors een zeer kwalijke. Zonder een briefje van de pastoor kwam je niet aan werk. En dat briefje kreeg je alleen als je trouw in de kerk kwam. De Katholieke Kerk stond en staat een harmoniemodel voor, waarbij werkgevers en werknemers samen naar een rechtvaardig inkomensbeleid streven. Uiteindelijk kreeg dat vorm in het poldermodel.

De enige keer, dat er tegen kerkelijke opvattingen werd gedemonstreerd was door de Dolle Mina’s in hun strijd voor vrije abortus. Een euthanasiewetgeving is er met enig principieel waarschuwen van kerkelijke zijde zonder veel problemen gekomen.

Toch maakt de jonge Martijn zich over een heel lijstje religieuze dwangpunten druk, die de individuele ontplooiing en de zelfbeschikking van de vrije mens in de weg zouden staan. Religies mogen geen geboden en verboden opleggen. Martijn heeft niet in de gaten, dat een religieus mens geboden en verboden aanvaardt omdat zij zijn of haar leven evenwichtiger of gezonder of levenskrachtiger, dus rijker maken. Zich inleven in het religieuze denken is niet zijn fort….! Als je samen één vrije dag in de week hebt, kun je genieten van het samen sporten of samen ontspannen, elkaar ontmoeten en ook samen gemeenschap vieren. Doet Martijn dat liever in zijn eentje? Waarom kom je niet op voor arbeidersrechten? Waarom word je niet boos als je hoort, dat bij sollicitatiegesprekken gevraagd wordt of men bereid is op zondag te werken? Waarom speel je de grote bedrijven in de kaart ten koste van kleine ondernemers met weinig personeel? Voorstanders van openbaar onderwijs stellen altijd, dat daar voor iedereen plaats is ongeacht religie of levensovertuiging, maar van Martijn mag een eigen plekje om te bidden niet. Moeten er dus meer Islamitische scholen komen? De boerka, de voorschriften voor het slachten van dieren, het kuisen van kunst en geen vrouwelijke volksvertegenwoordigers komen voorbij. Wat vooral opvalt is het totale gebrek aan tolerantie of verdraagzaamheid. De woorden komen in het hele stuk niet voor. Met enige moeite kan Martijn respect opbrengen, maar dat mag geen verdere consequenties hebben. Ik respecteer je mening, maar je mag er in het openbaar niet naar handelen. Martijn eist de absolute vrijheid op om zich zelf te kunnen ontplooien, maar hij gunt anderen, die vrijheid niet als diens opvattingen hem niet bevallen. Eeuwenlang, voorgegaan door beroemde filosofen als Desiderius Erasmus, Hugo de Groot en Baruch Spinoza hebben Nederlanders geleerd te leven en te laten leven, elkaar vrij te laten in het leven overeenkomstig eigen opvattingen. Tolerantie, weliswaar met enige beperkingen, vormde een constante in onze samenleving. Daarom is de PVV ook de meest on-Nederlandse partij. Wil Martijn de PvdA ook die kant op sturen. Een ernstiger diskwalificatie  voor het fractievoorzitterschap kan ik mij niet voorstellen.Jaargang 5, Nr. 205.

Godsbeelden te over is voer voor politici

vrijdag, maart 2nd, 2012

HET GODSBEELD VAN EEN ATHEÏST

Ik loop het risico, dat ik opnieuw het verwijt krijg te schrijven over dingen waar ik weinig van weet. Ik wil graag een dialoog. Corrigeer me dus maar.

Maar eerst over het Godsbeeld bij mensen, die wel in een God geloven. Aan God worden allerlei eigenschappen toegedicht. Mensen geloven dan, dat God zich heeft geopenbaard. Bijvoorbeeld aan Mohammed, maar ook aan Mozes en zo aan Joden en Christenen. Ik ben “Ik zal er voor jullie zijn”. Ik ben, die ben. Zo zijn Joden en Christenen tot het geloof gekomen, dat God een beschermer is en dan ben je al vlug bij de God, die je beschermt tegen je vijanden. Dat Godsgeloof zie je heel sterk in het Oude Testament, maar ook bij de Duitsers, die op de soldatenkoppels “Gott sei mit uns” hadden staan. Zo eindigen Amerikaanse politici hun toespraken steeds weer met “God bless you”. Terecht wordt bezwaar gemaakt tegen een dergelijk Godsgeloof. Op al die oorlogsmisdaden, die door Duitsers en Amerikanen zijn begaan kan Gods zegen niet rusten. In een God, die dat wel zou doen kan ik niet geloven.

In mijn jeugd werd mij een Godsbeeld voorgehouden van een alwetende, alziende, almachtige, strenge en straffende God. Zo’n God, waar je bijna een hekel aan zou krijgen omdat je geloof je opscheept met allerlei schuldgevoelens vaak om onnozele dingen. Gelukkig hebben de meeste mensen – althans in mijn omgeving afscheid genomen van dat Godsbeeld, maar het komt nog voor en zulke mensen leiden geen plezierig leven. Als God almachtig wordt genoemd, dan worstelen mensen met de vraag waarom God dan allerlei ellende toelaat. Hoe kan er een God bestaan als nu weer in Syrië duizenden mensen worden vermoord of als een ramp duizenden doden veroorzaakt? Maar mensen hebben een vrije wil en kunnen dus ook de meest vreselijke dingen doen. De natuur werkt zo, dat rampen mogelijk zijn. Als God de wereld zo geschapen heeft, gaat Hij niet in tegen Zijn eigen schepping. Dat beeld van een almachtige God brengt jou als gelovige gemakkelijk in de problemen. Zo hebben velen afscheid genomen van dat Godsbeeld.

De moderne gelovige beseft steeds meer, dat we van God eigenlijk niets kunnen zeggen. Ons weten en denken en onze taal zijn te beperkt om ook maar iets zinnigs over God te kunnen zeggen. Toch proberen we het elke keer weer. God is er voor ons. God is liefde. Er zijn mensen, die Gods liefde intens ervaren en daardoor ook intens gelukkig zijn. Sceptici noemen dat inbeelding. Het zij zo. Anderen ervaren Zijn liefdevolle aanwezigheid te midden van ons. Daar durven gewone mensen nauwelijks over te praten. Je zegt nogal wat en hoe weet je dat het werkelijk zo is. Toch zijn er honderden mensen in Nederland met dergelijke mystieke ervaringen.

Als mensen spreken over God, dan hebben ze daarbij een bepaald Godsbeeld voor ogen. Misschien wel dat plaatje uit een kinderkerkboekje van een  oude man met een baard en met een wijde mantel op een prachtige troon. Als mensen zeggen niet meer in God te geloven, zeggen ze, dat ze niet meer in hun  en eventuele andere Godsbeelden geloven. Dat geldt dus ook voor mensen, die heel principieel zeggen niet in een Opperwezen te geloven. Ik ben eigenlijk heel nieuwsgierig naar hun Godsbeeld, waar ze niet in geloven.

Vanmorgen kwam ik in De Volkskrant weer een opiniestuk tegen, waarin iemand beweerde, dat mensen, die in God geloven ook automatisch gehoorzamen aan regels, die hun God hen oplegt. Een enorme misvatting, want een gelovige heeft altijd zijn eigen verstand, zijn geweten te raadplegen. Logisch ook, want de omstandigheden zijn sterk veranderd sinds Mozes met de Tien Geboden de berg Sinaï afdaalde. Zo kunnen mensen soms tot geheel verschillende gewetensbeslissingen komen. In die gewetensbeslissing kunnen Gods geboden een rol spelen, maar voor elke gewetensvol besluit past respect.

Af en toe stoort het mij, dat politici, die nauwelijks enig besef blijken te hebben van wat mensen beweegt toch maar diep gewortelde ideeën als achterhaald terzijde schuiven. De tolerantie neemt sterk af en ik vrees, dat veel van die politici nauwelijks beseffen wat de herkomst is van hun eigen opvattingen. Ik vrees, dat het PVV denken over de Islam een veel wijdere invloed heeft, dan mensen beseffen.

Jaargang 5, Nr. 204.