Author Archive

De Onrendabelen

zondag, november 22nd, 2009

ERFELIJKE ARMOEDE 

Onzichtbare armoede zou je het ook kunnen noemen, want de gezinnen, die van generatie op generatie in armoede verkeren vallen niet op. Ze blijven buiten ons gezichtsveld. Het zijn onze vrienden niet, noch onze klasgenoten of studievrienden of collega’s of buren. Ze blijven door ons ongezien en zij zullen deze column ook niet lezen, als ze al kunnen lezen. Ze beschikken niet over een computer noch over toegang tot het Internet. Marcel van Dam noemde ze in zijn film, die afgelopen vrijdagavond, 20 november door de Vara werd uitgezonden “De onrendabelen”. 

Wij weten, dat schoolsucces afhankelijk is van aanleg en milieu. Vaak is de aanleg al niet geweldig, maar de ouders zijn weinig ontwikkeld en kunnen hun kinderen niet helpen bij hun schoolwerk. Ze missen het geld voor een krant, een computer of een bijles. Door slechte voeding, huisvesting en hygiëne zijn de kinderen vaker ziek en missen vaker lessen. Ze komen niet ver in het onderwijs en verlaten het zonder enig diploma. Op de arbeidsmarkt maken ze nauwelijks kans. De weg naar hulpverlenende instanties weten ze niet te vinden. Ze missen de energie om er eens flink tegenaan te gaan en zo verandering in hun situatie te bereiken. Ze hebben ook al lang de moed opgegeven en hun zelfbeeld is zeer zwak. En zo verkeren ze van generatie op generatie in bittere armoede. 

In de tijd, dat het CDA de C nog met enig recht in de naam had, je de PvdA nog een solidariteitspartij kon noemen en de VVD nog enig benul van fatsoen had werd er in Nederland gebouwd aan een uitstekend sociaal stelsel. Marcel van Dam laat in zijn film zien hoe dit stelsel de afgelopen dertig jaar stap voor stap is en wordt afgebroken. Terwijl de koopkracht van velen enorm verbeterd is bleef die van de uitkeringsafhankelijken op eenzelfde niveau. Men verdedigt dat met de stelling, dat een ruime uitkering zou zorgen voor te weinig druk om te solliciteren. Wat deze cynici vergeten is, dat deze mensen nu juist geen enkele kans maken op de arbeidsmarkt, waar alleen maar steeds hogere eisen gesteld worden. Zo blijven ze dus tot armoede veroordeeld. Je kunt ze immers niet nog meer laten teren op de portemonnee van de hard werkende Nederlanders, zoals de deskundige econoom Frank Kalshoven in de Volkskrant van zaterdag opmerkte. 

Ik heb het niet geweten. Kun je dat zeggen? Marcel van Dam bekende, dat hem veel ontgaan is. Hij zei het met enige schaamte bij Pauw en Witteman. Opmerkelijk in die uitzending was de rol van staatssecretaris de Vries. Hij beweerde, dat onze sociale uitgaven zo laag zijn omdat de mensen het hier in meerderheid zo goed hebben. Die paar armen kosten ons niet zo veel en hij vergat gemakshalve, dat de koopkracht van die armen op hetzelfde te lage niveau is gebleven. Al jaren lang is er elke derde dinsdag van de maand om 13.00 uur een kleine demonstratie tegen de armoede bij het gebouw van de Tweede Kamer. In de film kwam Raf Janssen veelvuldig aan het woord. Hij en zijn collega André Bons hebben al vanaf 1988 meerdere boeken over dit onderwerp gepubliceerd. Vanuit de kerken heeft een groep als “De Arme Kant van Nederland” herhaaldelijk tegen de toenemende armoede geprotesteerd. Waren wij doof en blind? 

De Franse priester Joseph Wresinski (1917-1988) werd in 1956 door zijn bisschop gevraagd de zorg op zich te nemen voor een groep arme gezinnen in enkele barakken in Parijs. Hij ontdekte het verschijnsel van de erfelijke armoede en met zijn beweging “Aide à tout détresse”, ATD De Vierde Wereld kwam hij tot een werkwijze om iets aan de situatie te verhelpen. Het ging er om de vicieuze cirkel van erfelijke armoede te doorbreken door te zorgen, dat de kinderen met meer succes onderwijs zouden volgen. Het tweede belangrijke doel is de gezinnen hun waardigheid terug te geven. Vervolgens zullen de gezinnen het kunnen opbrengen hun lot in eigen hand te nemen. Hoe dat gaat is prachtig beschreven door Henri van Rijn in “Armoede: Noodlot of onrecht? Een van de armste gezinnen in Nederland aan het woord.”  

De armoede is een voortdurende schending van de Rechten van de Mens. ATD De Vierde Wereld heeft een oproep gedaan aan die schending een eind te maken. Dat manifest kunnen we ondertekenen op de site van de beweging www.oct17.org . 

Tenslotte wijs ik nog op een van de mechanismen, die leiden tot de voortgaande afbraak van ons sociaal stelsel. De premies van de sociale verzekeringen vormen voor het bedrijfsleven een forse kostenpost. In de ogen van de ondernemers wordt hun concurrentiepositie daardoor geschaad. Als je echter landen met een veel hoger niveau voor de uitgaven aan de sociale voorzieningen met Nederland vergelijkt blijkt geenszins, dat hun concurrentiepositie is verslechterd. Het alsmaar toegeven aan de druk van de werkgevers maakt hen lui. Ze spannen zich niet in de productie te rationaliseren. Ik vraag mij af of het geen tijd wordt in de EU duidelijke normen af te spreken over een minimumniveau  voor de sociale uitgaven en zo tot eerbiediging van de Rechten van de Mens  te komen. 

Jaargang 2, nr. 37.

Een EU-lidmaatschap voor Turkije?

zaterdag, november 14th, 2009

DE GRENZEN VAN EUROPA 

Mijn woongemeente Bunnik heeft voor een deel natuurlijke grenzen. Het zijn de restgeulen van oude Rijnlopen. Vroeger, toen de afwatering nog niet goed geregeld was, waren dit moerassige gebieden, waar je vooral ’s winters maar moeilijk doorheen kwam. Het betreft de Enghsloot, de Leesloot en de Rietsloot tussen Houten en Bunnik, en tussen Bunnik en de Heuvelrug een kronkelende geul in het Langbroekerwetering gebied en een oude Rijnloop tussen de Langbroekerwetering en de A12. Ze vormen nu geen barrière meer. Dat zijn de A12, de A27 en de A28 veel meer. Zo is de A12 voor een deel de grens tussen Zeist en Bunnik. 

In het bovenstaande komen twee definities van natuurlijke grens naar voren. Het kan een grens zijn, die door de topografie van het landschap wordt gegeven, maar het kan ook een grens zijn, die van nature scheidt. Men had altijd al een voorkeur voor natuurlijke grenzen. Enerzijds was zo’n grens erg duidelijk en dat voorkwam conflicten. Anderzijds dacht men, dat door de barrièrewerking een natuurlijke grens meer veiligheid bood. Maar is dat zo? Vormt een rivier een natuurlijke barrière? Neen, want een rivier is juist een verbindingsweg. Dat geldt ook voor beken of sloten of kanalen of smalle zeestraten. Er zijn heel wat Nederlandse steden, die zich op beide oevers van een rivier of een (vroegere) zeeinham uitstrekken. Denk aan Amsterdam, Rotterdam, Arnhem, Utrecht, Amersfoort, Maastricht of Venlo. In het buitenland Londen, Parijs, Rome, Berlijn, New York en Moskou. Ook gebergten worden vaak als grens gekozen en dan heeft men een voorkeur voor de kam van een gebergte, maar juist daar en dan vooral bij een pas is contact heel gemakkelijk. De helling van het dal naar de kam vormt veel meer een barrière. Bij echte natuurlijke grenzen moet je veel meer denken aan zeegrenzen, onbewoonde woestijnen, moerassen en misschien ondoordringbare regenwouden. De zee was en is goed bevaarbaar en het Romeinse rijk strekte zich over alle oevers van de Middellandse Zee uit. De meeste woestijnen zijn dun bevolkt en er zijn dan ook vanouds karavaanwegen door de Sahara en Centraal Azië. Veel moerassen zijn drooggelegd en door regenwouden zijn (helaas) wegen aangelegd. En in deze tijd van vliegtuigen en raketten bieden natuurlijke grenzen geen enkele veiligheid meer. Bij het begrenzen van gebieden is het kiezen van natuurlijke grenzen van weinig nut. 

Wat doen grenzen eigenlijk? Grenzen scheiden gebieden, die in een of ander opzicht homogeen zijn. Zo spreek je van taalgrenzen als in de aangrenzende gebieden een verschillende taal gesproken wordt. Er zijn staatkundige grenzen als aan weerszijden een andere politieke eenheid, een staat, een provincie of een gemeente ligt. We kennen grenzen tussen landschapseenheden, bijvoorbeeld een akkerbouwgebied en een bosgebied of een rivierkleigebied en een zandgebied.  

Komen we nu aan de grens van Europa en de huidige en toekomstige grens van de EU. Europa kun je beschouwen als een schiereiland van het Euraziatische continent. We probeerden altijd natuurlijke grenzen te vinden om Europa te begrenzen, maar helaas vind je dan maar zelden aan weerszijden verschillende homogene gebieden. De Oeral en de Oeralrivier kun je geen echte grens tussen twee verschillende gebieden noemen. In de Kaukasus vind je een verscheidenheid aan volkjes met verschillende talen, godsdiensten en nationaliteiten. Wat hoort bij Europa, wat bij Azië? Aan weerszijden van de Bosporus zijn er geen verschillen. Een grens tussen Europa en Azië is meer een kwestie van afspraken. Het probleem is veel meer welke staten nog potentiële lidstaten van de EU genoemd kunnen worden. 

De kernvraag is in welk opzicht de EU homogeen is. Er is geen gemeenschappelijke taal en geen gemeenschappelijke religie. Er zijn vreselijke godsdienstige oorlogen geweest in de zestiende en zeventiende eeuw, maar ook recent tussen Rooms-katholieke en Protestante Noordieren, tussen Rooms-katholieke Kroaten en Oosters-orthodoxe Serviërs, en tussen die Serviërs en Moslims in Bosnië en Kosovo. En er waren pogroms in Rusland en Joden werden in Spanje tot bekering gedwongen. De Joods-christelijke cultuur is interessant voor theologen, die op zoek zijn naar gemeenschappelijke wortels maar geen echt functionerende werkelijkheid. Is er een gemeenschappelijke kunsthistorie? Er is meer reden om daar met ja op te antwoorden. Kunstenaars over heel Europa hebben elkaar steeds weer beïnvloed. Gelden overal de mensenrechten en bestaat overal democratie? Ja, dat zijn weliswaar ook voorwaarden om lid te mogen worden van de EU, maar ze vormen niet het wezen van de EU. De EU is opgericht omdat de economieën van de lidstaten steeds meer met elkaar vervlochten raakten. Dat maakte regelend optreden nodig. Zo kwam er een gemeenschappelijke markt voor goederen, diensten, arbeid en kapitaal. Die economische ontwikkelingen werken op velerlei terrein door. Mijn overtuiging is, dat dit uiteindelijk een zekere mate van federalisering noodzakelijk maakt. 

Maar wat betekent dit nu voor de grenzen van de EU? Die vervlechting van economieën gaat steeds verder en daardoor ook de modernisering. Een grotere rol voor wetenschap en techniek, modern leiding geven, uitgaand van de kracht van de mensen, secularisatie, individualisering, je vind ze in allerlei landen in de wereld. De modernisering rolt als een tapijt uit over bijvoorbeeld Turkije naarmate het land zich verder ontwikkelt. Het moderniseringsfront schuift steeds verder, zoals vroeger het kolonisatiefront in Noord-Amerika. Als deze ontwikkeling zich inderdaad voordoet is Turkije straks een vanzelfsprekend kandidaat-lid van de EU. Let erop. Dit wordt een heel boeiend proces.

Jaargang 2, Nr. 36.

In memoriam Drs. Henk Vlaanderen, geograaf

donderdag, november 5th, 2009

TER HERINNERING AAN HENK VLAANDEREN 

De geograaf Henk Vlaanderen leerde ik rond 1975 kennen. Hij was toen vakdidacticus aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn taak was studenten voor te bereiden op het leraarschap door de didactiek van het vak aardrijkskunde te doceren en de studenten te begeleiden bij hun stage aan een school voor voortgezet onderwijs. Daarbij had hij tevens de opdracht onderzoek te doen op het terrein van de didactiek en de methodiek van het aardrijkskundeonderwijs. Henk Vlaanderen geloofde in een betere wereld en wilde het vak ook gebruiken om jonge mensen voor te bereiden op hun taak in de wereld. Het vroeg een aardrijkskunde, die meer was dan louter een kennisvak. Hij wilde dat kinderen zouden leren zelf kennis te vergaren en zelf daaruit conclusies te leren trekken en zo te komen tot oordelen en eventueel handelen. Zo’n maatschappijkritische houding viel niet zo goed bij zijn collega’s, die nog zuchtten onder de druk van de inspraak eisende studenten. Henk Vlaanderen was een man van de praktijk, die eerst in het voortgezet onderwijs had gewerkt en vervolgens bij een onderwijzersopleiding. Zijn collega’s hielden meer van allerlei fraaie theorieën, al is dat in de loop van de tijd gelukkig minder geworden. Men heeft nu veel meer oog voor de werkelijkheid en voor het eigene van een regio. 

Henk Vlaanderen sloot zich aan bij de Landelijke Werkgroep Aardrijkskunde Onderwijs, de LWAO. Deze was een onderdeel van de Vereniging voor Onderwijsvernieuwing. Die LWAO was een groot voorstander van projectonderwijs, maar zag dit streven in gevaar komen door een landelijk verplicht schriftelijk eindexamen voor het vak aardrijkskunde. Bij de proefexamens lag de nadruk veel te sterk op kennisvragen en veel minder op de hogere niveaus van begrip, toepassing, analyse, synthese en evaluatie. Juist die hogere niveaus zijn van belang om leerlingen te vormen tot zelfstandig denkende en oordelende mensen. Dat zulke zaken in het moderne onderwijs wel aan de orde komen verheugt mij. De LWAO was toen zijn tijd ver vooruit. 

Een interessant project van de LWAO was “Aardrijkskunde vanuit de trein”. De leerlingen kregen een bijzonder treinkaartje voor de lijn Utrecht Arnhem. In het bijbehorende opdrachtenboek stonden opdrachten om vanuit de trein het landschap te observeren. Daarnaast konden de leerlingen bij de verschillende stations uitstappen en dan in de omgeving opdrachten uitvoeren op allerlei terrein. In Bunnik bijvoorbeeld de vestigingsfactoren voor een aantal bedrijven, In Driebergen bodemprofielen, In Maarn de leeftijd van verschillende huizentypen en zo door in Veenendaal de Klomp, in Ede Wageningen, In Wolfheze, Oosterbeek en Arnhem. De NS was er zeer over te spreken. Zelf vond ik het moeilijk de leerlingen goed te begeleiden. Er waren nog geen mobieltjes! 

Henk Vlaanderen zag veel in veldwerk. Dat begon toen net goed op te komen met bijvoorbeeld het veldwerkcentrum in Orvelte in Drente. Zoiets zou hij ook wel willen. Hij kocht een huis met veel grond aan de Oostelijke voet van de Heuvelrug net op de grens van het bos en het agrarische landschap. Daar wilde hij zijn veldwerkcentrum beginnen. Ik ben er een keer een week met een groepje leerlingen geweest en het werd een bijzondere ervaring, maar misschien met te veel verschillende activiteiten. Wij moesten als leraren het nog zelf leren. Helaas is het niet zo goed aangeslagen en toen zijn vrouw Adinda overleed, werd het nog moeilijker. 

Op velerlei gebied gebruikte Henk zijn talenten. Zo ontwikkelde hij materiaal voor blinde leerlingen in het voortgezet onderwijs en begeleidde zulke leerlingen als ze het vak in de bovenbouw kozen. Hij begeleidde ook Marokkaanse leerlingen, soms heel persoonlijk en soms in de vorm van huiswerkbegeleiding in de Utrechtse wijk Overvecht. Ik herinner mij ook, dat hij mij vroeg mee te doen aan een internationaal onderzoek naar topografische kennis. Hij was heel verbaasd te zien, dat die meestal ijverige meisjes lager scoorden. Ik niet, want ik zag de jongens altijd bij de topografische kaarten staan. Hij vond in de literatuur wel een verklaring. Meisjes blijven veel meer dichtbij huis, terwijl jongens de omgeving verkennen. Daardoor kunnen ze zich beter een werkelijkheid voorstellen bij een kaart en onthouden het kaartbeeld beter. 

Op 28 oktober 2009 overleed Henk in Veenendaal, 84 jaar oud. Samen met zijn kinderen en kleinkinderen, vrienden en veel keurige Marokkaanse jonge mannen hebben wij Henk op 2 november in Utrecht begraven op de begraafplaats Tolsteeg, die nog door zijn vader is aangelegd. Ik heb een goede vriend en een prima collega verloren.

Jaargang 2, Nr. 35.

Vrouwenemancipatie in een krimpende arbeidsmarkt

vrijdag, oktober 30th, 2009

WAAROM MOETEN GEHUWDE VROUWEN WERKEN? 

Toen ik in 1952 begon te werken, waren werkende moeders van mijn leerlingen een uitzondering. Vader werkte voor de kost en moeder zorgde voor de vaak niet weinige kinderen. Toen mijn vrouw en ik huwden, was dit huwelijk een reden voor haar ontslag. Vooral in de betere standen was het werk voor een gehuwde vrouw niet passend en zo werd niet werken voor een gehuwde vrouw de norm. Een jongeman werd gevraagd naar zijn perspectieven als hij om de hand van een dochter kwam vragen. Hij moest immers vrouw en kinderen kunnen onderhouden. Een ongehuwde vrouw werd met enig medelijden bezien en ongehuwde intellectuele vrouwen werden blauwkousen genoemd. 

In de zeventiger jaren begon dit te veranderen. De pil werd vrijwel algemeen gebruikt. De gezinnen werden kleiner. Doorwerken na een huwelijk en met kinderen werd goed mogelijk. Oudere vrouwen met studerende kinderen, die nooit behoorlijk voortgezet onderwijs hadden kunnen volgen, gingen naar de “Moedermavo” en verder. Hulpmoeders op school beschouwden hun vrijwilligersbaantje als een mooie opstap naar betaald werk. En zo zagen we steeds meer gehuwde vrouwen met kinderen in een baan stappen. Het onderwerp kwam in mijn lessen aan de orde. Vrouwenorganisaties waren vol van deze vrouwenemancipatie en dan zei ik in een klas met de nodige meiden, dat al die werkende vrouwen niets te maken hadden met emancipatie, maar dat het gewoon een zaak was van te weinig aanbod van mannen op de arbeidsmarkt. De vrouwen waren gewoon hard nodig om het werk te doen. Daar zaten helemaal geen emancipatie-idealen achter. Soms hapte een meisje. Mijn bedoeling was vooral om de meiden bewust te maken van de werkelijkheid. Een andere keer wees ik er op, dat in sommige sectoren het aandeel van de vrouwen enorm steeg. In het onderwijs bijvoorbeeld. Maar dat waren en zijn dan vooral die sectoren waar de beloning niet al te best is. Als je zei, dat je in het onderwijs werkte, werd je meewarig aangekeken. Veel Havo-leerlingen met “pretpakketten” gingen naar de Pabo en daaronder steeds minder jongens. Veel geld verdienen werd het ideaal en we zien vandaag de gevolgen voor het onderwijs. 

Toch dames (en heren) zit hier een belangrijke les in. Vrouwen kunnen aan de slag als er tekorten zijn op de arbeidsmarkt. In de komende jaren krimpt de arbeidsbevolking. Gelukkig studeren steeds meer meisjes in het wetenschappelijk onderwijs en het Hbo. Die zijn hard nodig om alle vacatures te vervullen, waar zo’n opleiding wordt gevraagd. De dames zijn nu ook nodig in de beter betaalde sectoren. Kunnen ze nu ook doorstromen naar de topfuncties? Dat begint steeds meer beleid te worden. En toch lukt dat nog niet zo goed. Hoe bereid je je als vrouw voor op zo’n topfunctie? Hoe werk je aan een carrière? Hoe combineer je dat met een gezin met kinderen? Moeten topvrouwen worden als topmannen of kan er een specifieke vrouwelijke manier van leiding geven worden ontwikkeld, die even succesvol en toch anders is? 

En wat betekent dat voor de opvoeding thuis en voor het onderwijs en de keus van je hobby’s en het al vroeg beginnen een eigen netwerk te ontwikkelen. Meer aandacht voor leiderschapskwaliteiten? Hoe dan? En als vrouwelijk leiderschap toch anders werkt dan dat van mannen, hoe werken mannen en vrouwen dan samen?

Als gepensioneerde maak je die veranderingen in het werk niet meer mee. Je voelt het niet meer aan den lijve. Maar ik hoop het toch vanaf de zijlijn een beetje te kunnen volgen. Hoe doen oud-leerlingen het? Hoe zullen onze drie kleindochters zich ontwikkelen? Deze tijd is best interessant!

Jaargang 2, Nr. 34.

Groenlinks visiestuk: Zin in … seksuele vrijheid

vrijdag, oktober 23rd, 2009

DE ZIN VAN SEKSUELE VRIJHEID 

FEMNET, Roze Links en Dwars hebben samen een publicatie uitgebracht: “Zin in … seksuele vrijheid” met als ondertitel: “Visie en speerpunten op het gebied van seksualiteit van GroenLinks”. Het is ondanks de wat provocerende titel een heel ingetogen stuk geworden, zo sterk, dat je je af en toe afvraagt wat er nu eigenlijk bedoeld wordt en hoe breed sommige uitspraken nu eigenlijk bedoeld zijn. Het stuk is op de site van GroenLinks te vinden. Ga naar organisatie, naar werkgroepen en naar Roze Links.  

Al in de eerste zin nemen de drie auteurs de voor de hand liggende tegenwerping weg. Iedereen zou seksueel vrij moeten zijn ‘zonder daarbij de vrijheid van anderen te beperken of te schaden’. Jouw vrijheid wordt immers altijd begrensd door de vrijheid van anderen. Vervolgens worden vijf voorwaarden behandeld. De eerste voorwaarde “Vrijheid van dwang” wordt vooral opgevat als vrij zijn van seksueel geweld. Daarbij worden drie risicogroepen genoemd, namelijk kinderen, mensen in een sociaal isolement en mensen met een handicap. Misschien ligt het aan de samenstelling van de samenwerkende werkgroepen, maar heel veel seksueel geweld komt juist binnen een huwelijk of ander langdurend samenlevingsverband voor. Vooral als de vrouw, meestal het slachtoffer, zelf geen inkomen heeft, verkeert ook zij in een afhankelijke positie en kan dan binnen het huwelijk verkracht worden. Ook hier is het moeilijk de situatie tijdig te onderkennen en maatregelen te nemen. De ‘Blijf van mijn lijf’ huizen zijn er niet voor niets. 

Voorwaarde 2: ‘Vrijheid van schaamte en schuld’ roept eveneens vragen op. Mensen schamen zich meestal niet meer over hun seksualiteit, maar voelen wel een zekere gêne om er over te praten. Het is immers zo intiem. Je wilt je privacy beschermen. En toch is het beter bij de opvoeding van je kinderen heel open te zijn en dus over die gêne heen te stappen. Het is dus goed ouders en andere opvoeders daarbij te ondersteunen. Schaamte betreft veel meer je eigen gedrag als je daarbij je eigen normen of die van je partner hebt overtreden. Door jouw gedrag kun je je eigen relatie in gevaar brengen. Zeker als er kinderen zijn  lijkt mij het niet raadzaam je al te grote vrijheden te veroorloven. Daarover is het stuk niet duidelijk, behalve dan in die eerste zin, waar men zegt, dat de vrijheid van anderen niet beperkt of geschaad mag worden. Juist als kinderen niet het voorbeeld van elkaar liefkozende en liefhebbende ouders missen, is het moeilijk in hun eigen latere relatie tot liefhebben te komen. 

Het stuk is erg pessimistisch over de rol van de media. Ik denk, dat de houding van de ouders veel meer bepalend is. De media krijgen van van alles de schuld. Het zinloos geweld in onze steden, het consumentisme, de verminderde sociale cohesie of de seksuele moraal of het gebrek eraan, het is allemaal de schuld van de media. Maar steeds weer blijkt, dat kinderen heel goed in staat zijn onderscheid te maken. Misschien moet wel een andere groep genoemd worden, namelijk de vriendenkring, de peergroep. Daarbinnen bestaat wel vaak ernstige sociale dwang. Daar moet je niet te veel uit de toon vallen. 

Zo komen wij bij de vierde voorwaarde ‘Het recht op seksuele vorming’. Het is al heel goed, dat er niet gesproken wordt over seksuele voorlichting, want daarbij gaat het meestal vooral over biologische aspecten, over technieken en over risico’s. Bij seksuele vorming gaat het bovendien over relaties en over de betekenis van seks voor de ander en over de gevoelens van de ander. Dat alles kwam heel nadrukkelijk aan de orde in het “Sexproject” van mijn school, het Niels Stensen College in Utrecht. Het project werd steeds voorafgegaan door een ouderavond. Vervolgens waren er een week lang bijeenkomsten in grotere of kleinere groepen, soms gemengd en soms jongens en meisjes apart. Toen ik later bestuurslid was van het Katholiek Jongeren Bureau Utrecht – inmiddels wegbezuinigd – werden de ervaringen gebruikt om materiaal voor seksuele vorming te ontwikkelen, dat door kerkelijke jongerenwerkers gebruikt kon worden. Maar weinig leraren en jongerenwerkers zijn capabel om met dergelijk materiaal te werken. Daarnaast is het op scholen met veel Marokkaanse leerlingen vrijwel onmogelijk zo’n project te draaien. 

Daarom zou het goed zijn om dat recht op seksuele vorming wettelijk vast te leggen. Dat is de vijfde voorwaarde. Scholen zouden verplicht moeten worden samen met de ouders de seksuele vorming ter hand te nemen. Laat GroenLinks maar met een initiatief wetsontwerp komen, want van de huidige verantwoordelijk minister verwacht ik wat dit betreft niet veel. 

Mijn column zou te lang worden als ik ook het tweede deel van de publicatie zou bespreken, dat gaat over een tiental speerpunten van beleid. Voor mij is er alle reden lezing van dit stuk aan te bevelen en iedereen uit te nodigen flink te gaan werken aan de tien speerpunten. 

Jaargang 2, Nr. 33. 

Een crisis van waarden

zaterdag, oktober 17th, 2009

SCHAAMTELOOS RIJK 

Het draait allemaal om geld. De kranten staan vol met berichten en commentaren rond de AOW, de DSB en Willem Alexander en Maxima met hun droomhuis in Mozambique. Dat dacht ik al lezende. Tegelijk realiseerde ik me, dat het eigenlijk veel dieper zit. De waarde van een mens wordt tegenwoordig in geld uitgedrukt, soms heel letterlijk als het om loon of salaris gaat, maar ook waar het waardering en aanzien betreft. Wie weinig geld heeft telt in de huidige samenleving niet meer mee, althans voor velen.  

Ik moest weer denken aan het verhaal uit Marcus 10, dat ik afgelopen zondag hoorde: “Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.” De ongelovigen kunnen hier lezen: “…. dan voor een rijke om een goed mens te worden.” Rijkdom is een gemene valkuil. Als je al veel geld bezit wil je steeds meer en wordt het steeds moeilijker er afstand van te doen ten behoeve van de gemeenschap of van de armen temidden van ons. Het geld geeft je zekerheid en status en luxe en een prettige woonsituatie ver van lawaai en stank en onrust en onveiligheid. Vooral bij een deel van de jonge mensen zie ik, dat ze ongeremd rijkdom nastreven als het gaat om studie- en beroepskeuze en om gedrag tegenover de baas en de collega’s. 

Als Willem Alexander en Maxima een villa laten bouwen in Mozambique wijkt hun gedrag niet af van wat “normaal” is bij de superrijken van deze wereld. Het nare is, dat zij bovendien een voorbeeldfunctie hebben. Ze legitimeren het gedrag van de rijke en welvarende burgers met hun tweede (derde en vierde) huizen overal in de wereld, die het heel gewoon vinden meermalen per jaar op vakantie te gaan en daarbij rustig te kiezen voor een bestemming in het Verre Oosten, Amerika of Zuidelijk Afrika. Daar zou de discussie over moeten gaan en niet over het feit, dat het de belastingbetaler zo veel kost. Want wie betalen voor hetzelfde gedrag van topdirecteuren van banken? Toch ook diezelfde belastingbetalers, die voor hun paar spaarcentjes nauwelijks nog rente krijgen. 

Toen ik nog les gaf, kwam bij de behandeling van de Derde Wereld altijd het ontbreken van een fatsoenlijk kredietsysteem aan de orde. Ik vertelde hoe de mensen daar waren overgeleverd aan woekeraars, hoe ze dan het kleine stukje grond ook nog kwijt raakten en als landarbeider moesten proberen te overleven als ze al niet tot schuldslavernij vervielen of hun kinderen als slaaf moesten verkopen. Daarom is het maar goed, dat er nu gewerkt wordt aan de oprichting van coöperaties en microkredieten. Maxima doet net als haar man Alex ook goede dingen! Ik realiseer mij nu, dat ik er impliciet van uit ging, dat de kredietverlening in Nederland fatsoenlijk geregeld was. Misschien was dat toen nog wel het geval, maar met name de liberalisering van de kredietmarkt heeft de misstanden in de hand gewerkt. Het werpt een schril licht op de altijd weer gehoorde roep uit VVD-kringen om meer liberalisering. 

Nu de komende jaren de beroepsbevolking gaat krimpen wordt het moeilijker om de groei van het BNP vol te houden. Het BNP per hoofd wordt tegelijk een nog slechtere maat voor de welvaart. De groeiende groep ouderen beschikt over heel wat spaarcentjes, vooral in de vorm van pensioen en een afbetaalde woning. De welvarende ouderen gaan dus aardig wat belasting betalen en naar mijn mening zou er weinig aan de hand zijn zonder de huidige financiële en economische crisis en de sterk gegroeide en nog groeiende staatsschuld. Tegenover die staatsschuld staat ook een sterk toegenomen staatsbezit, dat als de crisis wegebt nog sterk in waarde zal stijgen. De staatsschuld is eigenlijk niet echt een structureel probleem. Waarom dan langer werken? De AOW-premie en de pensioenpremies hoeven dan niet te stijgen, kunnen zelfs dalen, zeker het werkgeversaandeel. Is dus de gehele operatie een risicovol cadeautje voor de werkgevers? Het risico is, dat werkgevers zich minder zullen inspannen om het werk te rationaliseren en zo minder arbeidsintensief te maken. Dat is nu juist zo hard nodig bij een krimpende beroepsbevolking. Waar haal je anders de mensen voor de groeiende zorgsector vandaan? 

Wouter Bos zei het zelf. De 55-plussers zouden geen maatregelen meer kunnen nemen als ze nu verrast worden door langer werken. Zelf zou hij de komende jaren gaan sparen voor zijn oude dag. Dat is nu precies het smerige van de AOW-67-operatie. De rijken kunnen hun maatregelen nemen, maar al die mensen, die elke maand maar net rondkomen, kunnen dat niet of nauwelijks. De hele operatie is uiterst asociaal en vooral bedoeld om de welvaart voor de hogere inkomensgroepen zeker te stellen. Het merkwaardige is, dat juist veel jongeren vóór die maatregel zijn, terwijl zij zelf er het meest last van zullen hebben. Als je onder de 55 bent is het heel moeilijk om te beseffen wat het is om boven de zestig nog volop mee te draaien in het arbeidsproces.  

Overigens krijgen de werkgevers nog op een andere manier een cadeautje. Een van de oorzaken van de toegenomen leeftijdsverwachting is nu juist het eerder stoppen met werken. Ik zal het niet meer meemaken, maarreken maar dat straks de mensen heel wat minder gezond aan hun pensioen zullen beginnen en eerder zullen overlijden. Kan de pensioenpremie omlaag, ook voor de werkgevers. Het draait allemaal om het geld, inderdaad. Er is niet alleen een financiële  en een economische crisis. Er is ook duidelijk een crisis van waarden. 

Jaargang 2, Nr. 32.

Immigratie en neef-nichthuwelijken

vrijdag, oktober 9th, 2009

NEEF EN NICHT VRIJT LICHT 

In Nederland wordt een neef-nichthuwelijk afgeraden, maar wordt meestal wel toegestaan. En het komt vaker voor, dat een neef en een nicht elkaar aardig vinden en bij wat gestoei of geflirt wordt al snel het spreekwoord hierboven gebruikt. Recent kondigde het kabinet maatregelen aan tegen neef-nichthuwelijken. Die zouden niet langer erkend worden. In de berichtgeving werd niet vermeld of de bestaande neef-nicht-huwelijken tussen geboren Nederlanders voortaan niet meer erkend zouden blijven en of ook aan geboren Nederlanders toestemming voor een neef-nicht-huwelijk geweigerd zou worden. Om huwelijksmigratie te bemoeilijken zou de vrijheid van geboren en getogen Nederlanders aldus beperkt worden. 

Waarom worden neef-nichthuwelijken afgeraden? De kans op kinderen met een erfelijke ziekte of een erfelijke afwijking wordt dan groter. Dat zie je ook in geïsoleerde gebieden met weinig huwelijksmobiliteit. Door “inteelt” komen daar meer erfelijke ziekten en afwijkingen voor. 

Maar waarom heeft men dat in al die culturen, waar het neef-nichthuwelijk zelfs het voorkeurshuwelijk is nooit ontdekt? Daarvoor zijn twee redenen te noemen. In die culturen was er door slechte medische zorg en slecht en te weinig voedsel en slechte hygiëne altijd al een hoge zuigelingensterfte. Dat er wat meer kinderen door inteelt stierven, viel niet op. Daarnaast kan de inteelt ook omgekeerd werken. Heel positieve erfelijke factoren worden gecombineerd en zo worden uit een neef-nichthuwelijk uitzonderlijk begaafde kinderen geboren. Zo gaat men immers ook te werk bij het fokken van dieren of de selectie van zaden. De beste exemplaren worden gekruist en hoe nabijer de verwantschap hoe beter. Ik bedoel natuurlijk niet, dat dit bij mensen ook maar moet gebeuren al zijn er in Nazi-Duitsland wel selectiepraktijken geweest. Het lijkt mij meer een thema voor een enge sciencefictionroman.  

In nogal wat culturen is het neef-nichthuwelijk het voorkeurshuwelijk. Dat hangt samen met het daar bestaande clansysteem. De gehele bevolking behoort tot twee of meer clans. Binnen een clan mag niet gehuwd worden. Terwijl iemand hier zowel van vaders als van moeders kant familie heeft, komt het daar voor, dat men alleen tot de clan van de vader of alleen tot de clan van de moeder behoort. Men spreekt dan van patrilineaire of matrilineaire verwantschap. We geven een voorbeeld. Bij een stam of een volk bestaat een matrilineair verwantschapssysteem en er zijn twee clans. Kinderen behoren tot de clan van de moeder en dus ook tot de clan van moeders broer, hun oom. Zij behoren niet tot de clan van hun vader en vaak speelt de vader in het gezin geen rol van betekenis bij het gezinsleven en de opvoeding. De rol van de oom is daarbij veel belangrijker. Vaak maar niet altijd is het erfrecht ook matrilineair. Je erft van je moeder. Bijvoorbeeld het recht op het gebruik van grond. Eigendomsrecht van de grond bestond in die culturen niet en de invoering daarvan tijdens de koloniale periode heeft zeer verstorend gewerkt.  Vrouwen bewerken de kostgrondjes en de dochter erft het recht op dat gebruik van haar moeder. De kinderen van de oom behoren tot de clan van hun moeder. Ze erven van haar. Dat is aantrekkelijk voor de neef, vaders zusters zoon, want zo blijft de grond toch nog een beetje in de familie, die eigenlijk geen familie is. Zo wordt een huwelijk van een jongen met moeders broeders dochter een voorkeurshuwelijk. Omdat bij matrilineair erfrecht het recht op grondgebruik overgaat van moeder op dochter zal de neef de bruidegom meestal ook in het dorp van de bruid gaan wonen. Het huwelijk is matrilokaal.  

Zo’n eeuwenoude traditie wordt niet zo maar doorbroken. Bovendien is er in de plaats van de voedselzekerheid door het erven van het gebruiksrecht van grond een ander voordeel gekomen, dat je je kinderen graag gunt. Het recht op verblijf in Nederland, dat de grens zo veel mogelijk gesloten houdt. Zo lang de welvaart in de herkomstgebieden niet sterk is toegenomen blijft die migratiedruk bestaan. Wil je de migratie beperken, dan moet je dus wel zeer uitzonderlijke maatregelen nemen zoals in dit geval het beperken van het recht op vrije partnerkeuze. Inderdaad is die partnerkeuze vaak niet vrij, maar het blijkt, dat gearrangeerde huwelijken zich vaak tot een harmonieuze verbintenis ontwikkelen. Onze vrije partnerkeuze blijkt wat dat betreft weinig succesrijk. Een op de drie huwelijken loopt uit op een scheiding. Ook bij vrije partnerkeuze komt huiselijk geweld voor en in veel meer gevallen dan we vaak denken. 

Zo zijn in het korte bestek van deze column heel wat problemen aan de orde gekomen. Als je voorstander bent van veel vrijheid bij de partnerkeuze zou goede voorlichting  op zijn plaats zijn en een opvoeding, waarbij het goede voorbeeld van de ouders leidt tot navolging. De overheid zou dit kunnen stimuleren, maar moet het zelf ingrijpen tot het uiterste beperken. 

Jaargang 2, Nr. 31.

Zorgen om de Haagse zorgcentra

zaterdag, oktober 3rd, 2009

OVERGELEVERD AAN DE ZORG 

Mijn oudste familielid, 95 jaar jong, verblijft in een Haags woonzorgcentrum. Daar zijn ze met een bezuinigingsoperatie bezig, die uiteraard niet zo heet. Ze noemen het een reorganisatie. Dit geeft onder de bewoners en het personeel veel onrust. Het nieuwe bestuur ontvangt daarover signalen. Dus besluit men een geruststellende brief aan de cliënten te sturen. Die brief is zo onbegrijpelijk, dat de onrust alleen maar aangewakkerd wordt. 

In de voorbije jaren werd schaalvergroting aangemoedigd als middel om schaalvoordelen als gezamenlijke inkoop binnen te halen. Maar men mocht niet fuseren met een zorgorganisatie in een aangrenzend gebied, want dat zou tot een monopoliepositie kunnen leiden, terwijl het nu juist de bedoeling was, dat zorginstellingen met elkaar gingen concurreren. In de praktijk betekende dat, dat zorginstellingen alleen een contract kregen, wanneer ze onder de kostprijs boden bij de aanbesteding van de zorg door een gemeente. Dat moest dus mis gaan. Een uitweg werd gevonden door goed geschoolde verzorgenden te ontslaan en hen vervolgens in een slechter betaalde baan, alfahulp, weer aan te nemen. Kapitalistische uitbuiting noemde Marx dat in de negentiende eeuw. Bij Meavita was nog meer aan de hand. De zorgonderneming was zo groot en onoverzichtelijk geworden, dat hij onbestuurbaar werd. Er werden bijvoorbeeld geen rekeningen meer geïnd. Dat liep uit op een faillissement. De schuldeisers draaien op voor dit domme beleid. 

In Den Haag kwam een nieuwe organisatie tot stand, die het werk van Meavita overnam. De Haagse Wijk- en Woonzorg, HWW Zorg. De zaken moesten anders worden aangepakt, maar de cliënten zouden niet het slachtoffer mogen worden, althans in theorie. Ik beperk me nu tot de woonzorg: woonzorgcentra, verpleeghuizen en daarbij horende aanleunwoningen. Men besloot te schrappen in het management. De directeuren werden ontslagen en daarvoor in de plaats kwam één stadsdeelmanager, die de leiding kreeg over de instellingen in zijn stadsdeel. In plaats van de zorgcoördinatoren in elke instelling komen nu iets beter betaalde zorgmanagers. Veel zorgcoördinatoren werden ontslagen of overgeplaatst. Nu blijkt, dat er niet tijdig voldoende zorgmanagers beschikbaar zijn. Zorgcoördinatoren, die de chaos nog niet naar een nieuwe baan ontvlucht zijn mogen nog even aanblijven en daarnaast worden ervaren externe zorgmanagers aangetrokken, die de functie tijdelijk vervullen. Iedereen weet, dat zulke externe krachten pittige rekeningen sturen en ik vroeg mij af, hoeveel ontslagen oproepkrachten hadden kunnen blijven als die meerkosten niet zouden worden gemaakt. Als zich nu een medewerker ziek meldt, wordt er geen oproepkracht ingeschakeld. Iemand kan dan een hele afdeling alleen doen en de bewoners helpen bij wassen een aankleden. Soms als ik om elf uur arriveer is er nog geen bed opgemaakt, moet het been nog worden gezwachteld en de haren nog worden geborsteld en opgestoken. Gelukkig begrijpen de bewoners, dat dit niet de schuld is van de verzorging. Maar de onrust onder hen neemt wel toe. Zij merken vanzelfsprekend ook de angst onder het personeel voor hun baan en of de samenwerking met de nieuwe vaak ook wisselende leiding goed zal verlopen. Al met al wordt de sfeer er niet prettiger op. Elke keer weer zie ik met bewondering naar die vrouwen, die ondanks alles hun werk blijven doen. 

Ik kan het niet laten om één stukje blablaproza van de bestuursvoorzitter letterlijk te citeren. Pak maar  vast uw woordenboek zeg ik met de bewoners:

“U heeft wellicht al begrepen dat we momenteel heel hard aan het werk zijn om van Haagse Wijk- en WoonZorg een gezonde organisatie te maken. Een organisatie die de continuïteit van zorg en dienstverlening hoog in het vaandel heeft staan. Maar niet alleen de continuïteit, ook de kwaliteit van zorg en dienstverlening  moeten hoog in datzelfde vaandel staan.” 

En nog wat meer jargon: uw EVV’er, voedingsassistenten, facilitaire dienstverlening. Wat bedoelt de voorzitter als hij schrijft, dat voedingsassistenten zich veel nadrukkelijker gaan bezighouden met facilitaire dienstverlening? Zonder toelichting is deze brief ook voor mij niet volledig te begrijpen. Laat staan voor de geachte cliënten, een zeer gemêleerde groep oudere mensen en mensen met een verstandelijke beperking. Zo’n onbegrijpelijke brief versterkt de onrust in plaats van de mensen echt gerust te stellen. 

Voor Haagse volksvertegenwoordigers is er alle reden bij voortduring de vinger aan de pols te houden. Een typische zorguitdrukking overigens. 

Jaargang 2, nr. 30.

Vrede en vrijheid

vrijdag, september 25th, 2009

Oorlogsheroïek en Vredesweek 

Afgelopen zaterdag begon de Vredesweek en tegelijk werd herdacht, dat op donderdag, 17 september het 65 jaar geleden was, dat Operatie Market Garden begon met luchtlandingen bij de bruggen langs de route Eindhoven – Arnhem. Het doel was deze bruggen te veroveren en zo zonder hinder te kunnen doorstoten naar de Noordduitse Laagvlakte en Berlijn. De opmars van het Geallieerde leger werd vertraagd en het kostte veel moeite en tijd om de Waalbrug bij Nijmegen in handen te krijgen. Toen die eindelijk was veroverd verzuimde men onmiddellijk door te stoten naar Arnhem. De volgende morgen hadden de Duitsers een weerstandslijn bij Elst opgebouwd. De Rijnbrug in Arnhem, nu de John Frostbrug bleek “Een Brug te ver”. 

Als tienjarige woonde ik in Arnhem op enige afstand van de gevechten. Dus ben je er emotioneel erg bij betrokken. Bij zo’n herdenking zijn ontroerende momenten. Het grijpt je aan de verhalen van de oud-strijders te horen en je bewondert hun moed. Uiteindelijk zijn we zeven maanden en een koude winter later toch bevrijd. Je bent terecht dankbaar voor die vrijheid. Ik hoef niet bang te zijn opgepakt te worden als verzetsstrijder of om dwangarbeid te gaan verrichten. Ik hoor ’s nachts geen V2’s meer overkomen met stotterende motoren, die naar beneden kunnen komen met hun explosieve lading. Ik kan vrij zeggen en schrijven wat ik denk. Ik hoef geen honger te lijden en kan alles kopen wat ik nodig heb. Wat oorlog betekent hebben de meeste mensen alleen van horen zeggen. 

Het viel mij op, dat de herdenking dit jaar zeer uitgebreid was. Het is 65 jaar geleden en over vijf jaar zullen er nog maar weinig oud-strijders in leven zijn. Dat kan een reden zijn. Als je de verhalen hoorde, kwamen de verschrikkingen van de oorlog duidelijk naar voren, de vele slachtoffers ook onder de burgerij en de verwoestingen. Daar hoef je niet naar terug te verlangen. Tegelijk was er ook de nadruk op de moed en het heldendom van de geallieerde militairen en de bewondering en de dankbaarheid. Welke invloed gaat van dit alles uit? Zien sommigen er een uitnodiging in om ook hun leven in te zetten voor de vrijheid? Zou het allemaal onderdeel kunnen zijn van een wervingscampagne? Hoe nuchter zijn wij Nederlanders en hoe goed zijn wij in staat onderscheid te maken tussen de situatie in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog en de situatie in de vele oorlogsgebieden van vandaag? 

Daarom is het goed, dat er elk jaar een Vredesweek is, georganiseerd door de fusieorganisatie van het Interkerkelijk Vredesberaad en Pax Christi: IKV Pax Christi. Dat zal velen ontgaan zijn, want wie heeft er nog oor of oog voor kerkelijk gebonden activiteiten? Het thema dit jaar is “Naar een nieuw klimaat van vrede”. Als je de vele conflicten in de wereld bekijkt, ontwaar je vrijwel geen streven naar een oplossing van het conflict. Weliswaar wordt er door vele bemiddeld, maar in veel gevallen haalt het weinig uit. In toenemende mate zie je ook dat mensen partij kiezen en meestal voor de zwakste partij. Maar wat voor zin heeft het te kiezen tussen de twee partijen? Je wint er zeker niet de sympathie van de ander mee. Zou het er eigenlijk niet om moeten gaan, dat we van beide partijen het geweld afkeuren en van beide partijen eisen, dat ze naar vrede gaan streven? Al dat geweld lost het conflict niet op. In een klimaat waar het verlangen naar vrede voorop staat, streven we naar goede verhoudingen, naar het stoppen van geweld, naar het wekken van vertrouwen, naar verzoening met je tegenstander, naar geven en nemen en dat breed accepteren. Wat we zien is, dat geweld steeds opnieuw met geweld beantwoord wordt. We raken in een spiraal van geweld. Wanneer gaan we geloven, dat het ook anders kan?

Jaargang 2, Nr. 29.

De stille angst van menig parochiaan

maandag, september 21st, 2009

Gepubliceerd in Parochiekontakt Odijk in september 2009 

 

Een kerk gaat niet zo maar dicht

John Jorna 

Toen ik in de zeventiger jaren op Kanaleneiland werkte waren daar drie katholieke kerken. Nu nog maar één. Er is er een afgebroken en een is een rouwcentrum geworden. Kennelijk is die ene overgebleven kerk genoeg, want zo veel katholieke mensen wonen er niet meer en die er wonen komen veelal zelden of nooit in de kerk. In de wijk zijn veel Nederlanders van buitenlandse komaf komen wonen. In veel meer steden zie je dat kerken worden afgebroken of een andere bestemming krijgen. In mijn oude Arnhemse parochiekerk zijn net als in de Martinuskerk in Utrecht appartementen gebouwd. Het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement is in een kerk gevestigd.Men voorziet, dat in de komende jaren nog veel kerkgebouwen een andere bestemming zullen krijgen. Soms vragen mensen zich af of de nieuwe Paus Johannes XXIII parochie in de Kromme Rijnstreek straks nog wel acht kerkgebouwen zal tellen. Niemand kan daarop een antwoord geven. We weten immers niet of over tien of twintig jaar er nog steeds veel katholieken in elk dorp trouw hun bijdrage aan de Actie Kerkbalans zullen geven en of ze ook regelmatig deel zullen nemen aan de weekendvieringen. Maar op dit moment kan elk van de acht parochies de eigen broek ophouden en is er dus geen reden een kerk te sluiten. 

Andere onzekerheden

We weten ook niet of er over tien of twintig jaar nog priesters zullen zijn om regelmatig in de vieringen voor te gaan. Elk jaar worden er nog priesters gewijd, maar blijft dat zo? We weten evenmin hoe het beleid van het bisdom zich in de toekomst zal ontwikkelen. In andere bisdommen worden bijvoorbeeld twee kerken als hoofdkerk aangewezen, waar elke zondag en zelfs door de week een Eucharistieviering is. Dat leidt uiteraard tot een sterke vermindering van het kerkbezoek in de andere kerken en tot een vermindering van het totale kerkbezoek en dus een vermindering van de inkomsten. Als er in een dorp op zondag nog maar af en toe een viering is, zullen mensen minder gemotiveerd zijn een flinke bijdrage te geven aan de Actie Kerkbalans. Maar ja, er zijn nu eenmaal bisschoppen, die een eucharistieviering met weinig mensen in totaal belangrijker vinden dan overal een gemeenschapsviering, waar veel meer mensen in totaal komen en mensen veel sterker aan die gemeenschap verbonden blijven, elkaar tot steun zijn en samen de boodschap van Jezus van Nazareth doorgeven. Zo is het leven. Niets is zeker. We moeten leren met onzekerheden te leven. Dat gaat wel in tegen het moderne levensgevoel. Wij hebben immers sterk het idee, dat voor alles gezorgd kan worden, dat al onze verlangens kunnen worden vervuld. 

Duidelijke voorwaarden

Voordat een kerk wordt afgebroken of een andere bestemming krijgt moet een kerkgebouw eerst aan de eredienst worden onttrokken. Dan is de kerk niet langer een sacraal (gewijd) gebouw, al heeft het gebouw nog wel die uitstraling. Zo iets gebeurt niet zo maar. Er moeten duidelijke redenen zijn om tot sluiting over te gaan.Ten eerste moet er zeer weinig van de kerk gebruik gemaakt worden. Er komen geen mensen meer in de vieringen en er is niemand, die nog kan voorgaan in de vieringen. Ten tweede moeten de rechthebbenden ermee instemmen. Dat zijn op de eerste plaats de parochianen, die van het gebouw gebruik maken om erediensten te bezoeken. Maar het kan ook een familie zijn, die een grote som geld heeft gegeven op voorwaarde, dat er vier keer per jaar een H. Mis ter intentie van de overleden familieleden wordt opgedragen. In onze parochie zou denkbaar zijn, dat een begrafenisondernemer een contract heeft afgesloten om gedurende langere tijd gebruik te maken van het mortuarium en indien nodig van de dagkerk. Er mag ook geen enkele schade worden toegebracht aan het zielenheil van de gelovigen. Er moet dus op aanvaardbare afstand een andere kerk beschikbaar blijven, zodat de betrokkenen kunnen blijven deelnemen aan de vieringen. Als het gebouw in stand blijft, bijvoorbeeld omdat het als monument niet mag worden afgebroken, moet het gebouw een aanvaardbare niet gewijde bestemming krijgen. Je mag er geen gokhal in vestigen. Daar zouden mensen aanstoot aan kunnen nemen. De bisschop moet de priesterraad van het bisdom raadplegen. Als aan al deze voorwaarden wordt voldaan kan de bisschop het besluit tot sluiting nemen. Het gebouw en de grond blijft eigendom van de parochie. 

Conclusie

Als je pessimistisch wilt zijn of zeer cynisch, kun je gemakkelijk van mening zijn, dat er straks nog maar een paar kerken open zullen zijn. Als je meemaakt wat er in steden gebeurt, hoe sterk daar de onkerkelijkheid toeneemt en verwacht, dat dat hier ook zal gaan gebeuren, dan neig je naar pessimisme. Als je denkt, dat een trend zich eeuwig in dezelfde richting zal voortzetten, dan ligt pessimisme voor de hand. Bij echt geloof in de boodschap van Jezus van Nazareth hoort geen pessimisme. De keus is aan u, beste lezeres of lezer.