Author Archive

Straks spijt van je stem?

vrijdag, augustus 20th, 2010

OP DE BLAREN ZITTEN

Als wij vroeger iets doms gedaan hadden en klaagden over de gevolgen, gebruikte mijn moeder altijd het spreekwoord: “Wie zijn bips verbrandt, moet op de blaren zitten”. Toen onze kinderen nog jong waren hadden we nog een kolenhaard en later een gashaard. Mijn vrouw was altijd bang, dat de kinderen zich aan de haard zouden branden en hield ze er altijd bij weg. Soms zei ik wat pesterig: “Ze hoeven maar één keer die haard aan te raken en daarna doen ze het nooit meer!”. Daar moet ik vaak aan denken als ik mij verdiep in de PVV-stemmer en soms ook als ik denk aan een deel van de CDA-stemmers. Het zou mij niet verbazen als zij straks ernstig teleurgesteld zijn in het nieuwe beleid. Als ze merken hun vingers te hebben gebrand, zullen ze het dan nooit meer doen? Het CDA verstaat de kunst met een redelijk sociaal program te komen, waarna er vervolgens een beleid komt waarbij vooral de welgestelden bevoordeeld worden. Het lijkt erop, dat de kiezers dat langzaam doorkrijgen. De welgestelden zijn voor de zekerheid naar de VVD gegaan en de ontevredenen hebben uit protest PVV gestemd. De brave CDA-ers zijn gebleven, maar als het CDA met de PVV in zee gaat zullen velen daarvan het CDA voortaan mijden. Zullen de VVD- en PVV-stemmers terugkomen? Zullen veel PVV-stemmers weer even hard weglopen als ze gekomen zijn? Namelijk als ze merken, dat van de mooie sociale beloften van Geert W. in dit rechtse kabinet weinig terecht komt. Vroeger moesten sommige van mijn leerlingen op hun eerste rapport een forse onvoldoende scoren, voordat ze beseften, dat je ook voor een vak als aardrijkskunde wat moet doen, goede aantekeningen maken, je huiswerk maken en leren, verdacht zijn op onverwachte overhoringen en zorgen, dat je ook bij inzichtvragen goed antwoord kon geven. Eigenlijk geldt dat allemaal ook voor de politiek. Als je niet oplet krijg je gemakkelijk teleurstellende resultaten. Maar ja, op dit moment is dat rechtse kabinet er nog niet. Trouw meldde vanmorgen, dat een dissident in de CDA-fractie zit. Dan is ook het GPV nodig. En er zijn nog genoeg CDA-ers, voor wie hun geweten meer telt, dan de centen.

Er worden ook vreemde dingen over democratie gezegd. Geert W. beweert, dat de democratie eist, dat er rekening gehouden wordt met de anderhalf miljoen PVV-stemmers. Wel de 24 PVV-Kamerleden kunnen toch gewoon stemmen en die stemmen worden toch gewoon meegeteld. Maar de bijna een zesde van de stemmen zijn natuurlijk niet belangrijker dan de 30 van de PvdA en de tien van D66 en de tien van GroenLinks en de vijftien van de SP en de vijf van de CU en de twee van de Dierenpartij. Dat zijn er samen 72, precies drie keer zoveel als de PVV. Deze partijen zouden evengoed regeringsverantwoordelijkheid moeten krijgen als je de redenering van Geert W. volgt.

Van democratie heeft de PVV toch al weinig kaas gegeten. De kiezers kennen Geert W. en een paar Kamerleden, die al in de vorige kamer zaten, maar de rest was en is onbekend. Twee kandidaten moesten zich terugtrekken, toen er het een en ander over hen bekend werd. Er zijn geen partijleden, die bepalen wie er op de lijst komt. Dat wordt nog wat als er straks kandidaten voor de Provinciale Statenverkiezingen moeten worden geselecteerd. Het wordt vooral interessant om te zien of Geert W. iedereen in zijn fractie in de hand houdt. Een paar dissidenten over de pensioenen en de AOW-leeftijd en er zijn al problemen met het gedogen. Dat de VVD en het CDA er zomaar op rekenen, dat de PVV een betrouwbare partij is; het is zeer verwonderlijk.

Als de coalitiebesprekingen slagen worden het bijzondere tijden. De belastingen gaan dan misschien niet omhoog, maar mijn AOW-uitkering zal nauwelijks stijgen en mijn pensioen wordt zeker niet geïndexeerd en allerlei voorzieningen worden duurder, het eigen risico in de ziektekostenverzekering wordt hoger en sommige zaken verdwijnen uit het basispakket. We komen er wel doorheen, maar we moeten er nog meer dan tot nu toe op letten, of er mensen in onze omgeving echt in de problemen komen.

Jaargang 3, Nr. 125.

Fietsen door de Utrechtse-Gelderse Vallei

vrijdag, augustus 13th, 2010

WAT IS NEDERLAND TOCH MOOI!

Bijna elke fietstocht hoor ik het weer, deze opmerking en natuurlijk plannen we de route zo, dat er alle reden is om het hier mooi te vinden. Deze keer viel de nadruk op de Utrechtse-Gelderse Vallei, een wat ondergewaardeerd gebied. De stedeling heeft meestal weinig kijk op een agrarisch landschap.

Vanuit Odijk moet je altijd eerst de Heuvelrug over. Dit keer langs Zeist en langs Austerlitz door de bossen naar de asfaltweg langs de zuidkant van de Leusderheide. Dat is een stevige klim voor mensen van mijn leeftijd, die dat niet dagelijks meer doen. Het gaat tot bijna 50 meter plus NAP. De afdaling naar de weg Maarn-Amersfoort is steil en helaas is de weg niet zonder kuilen. Daarna verder langs hotel De Treek, oorspronkelijk een fraai landhuis. We volgden een tijd de Heiligenbergbeek, die dit gebied in de richting Amersfoort ontwatert. We fietsten tussen Woudenberg en Scherpenzeel door, langs het Valleikanaal, onderdeel van de voormalige Grebbelinie. Bij het einde van het fietspad gingen we linksaf over de Broekerweg en volgden een fietspad naar de Heuvelsesteeg. We kruisten de spoorlijn en de A12 en vervolgens het lijntje naar Rhenen. Daar direct rechtsaf de Haarweg op en na een tijdje linksaf de Bovenhaarweg op. Die komt uit op een weg naar Leersum. Sinds september 2009 is dit bekend gebied voor veel GroenLinksers, want op het vakantiecentrum Ginkelduin discussieerden we daar toen “in de tent”. Wij wipten er aan om onze dorstige kelen te lessen. En toen ging het verder richting Leersum over een fietspad onderlangs de Heuvelrug, de Utrechtse Baan, door het “Gat van de Berg” en zoveel mogelijk door het bos naar Odijk terug. Totaal 55KM. Bij NS station Driebergen-Zeist kun je door de week fietsen huren. Daar komt deze tocht langs.

Als je het landschap begrijpt, weet je beter wat je ziet en waar je op moet letten. Dat maakt het fietsen interessanter. Dus daarover maar iets verteld. Odijk ligt in een grote bocht van de Kromme Rijn. In het verleden heeft de rivier elke keer zijn loop verder in de richting van de huidige bocht verlegd. Zo’n gebied met een opeenvolging van oude lopen met oeverwallen noemen we een kronkelwaard. Het gehele Kromme Rijngebied bestaat uit een afwisseling van hoger gelegen oeverwallen en stroomruggen en 1 tot 3 meter lagere kommen. Op de hogere delen vind je de wegen, de oudere boerderijen, de akkers en de boomgaarden en daarbij veel met kersen. Als je van Odijk naar station Driebergen-Zeist fietst, passeer je onder de A12 door een oude loop van de Zeister Rijn, waar de rivier in de Romeinse tijd nog door stroomde. We gaan nu aanvankelijk heel langzaam omhoog eerst door een gebied met dekzand, dat er vooral tijdens de laatste ijstijd door de wind is neergelegd en daarna door een stuifzandgebied met heide en bos. Als de helling iets steiler wordt zitten we op het fluvioglaciaal, dat in de ijstijd door smeltwaterstromen is afgezet. Dan komen we vervolgens op de echte stuwwal, die bestaat uit rivierafzettingen, vooral zand en grint, door het ijs vanuit de Vallei in de een na laatste ijstijd, het Saalien opgestuwd. Daardoor is deze kant van de Heuvelrug ook veel steiler dan de westkant. Maar ook aan de oostkant kom je weer op fluvioglaciaal en stuifzand, bedekt met bos en heide. Overal in dit gebied worden stroken bos gekapt om er weer heide van te maken en zo ook de verschillende heidegebieden met elkaar te verbinden. Bij hotel de Treek komen we pas echt in de Vallei.

Tijdens het Saalien drong een ijsmassa het gebied binnen, dat we nu de Vallei noemen. Het ijs schuurde een diep dal uit en aan weerszijden werden lagen riviersediment in bevroren toestand opgestuwd. In zandgroeves zijn die schuin gestelde lagen, soms zelfs geplooid mooi te zien. Er kunnen ook Noordelijke stenen en rotsblokken tussen zitten. Dit morenemateriaal liet het ijs vooral ook achter op de bodem van het uitgeschuurde dal. In de warme tussenijstijd gebeurde er hier niet veel, maar in de laatste ijstijd, het Weichselien werd het gletsjerdal eerst opgevuld met fluvioglaciaal en vervolgens werd er met hoofdzakelijk Zuidwestelijke winden licht golvend dekzand neergelegd. Dat vormt nu de oppervlakte van de Vallei, een afwisseling van dekzandruggen met laagten ertussen. Daartussen door stromen beken, die vooral van de Veluwe af komen. Zo kruisten we over een brug de Barneveldse Beek, waar die in het Valleikanaal uit komt.

Als je goed kijkt, kun je de agrarische geschiedenis van het gebied uit het landschap aflezen. De eerste fase is die van de potstalcultuur. Op de dekzandruggen en de hoger gelegen dekzanden aan de rand tegen de stuwwallen aan kwamen boerderijen met daarbij de akkers, waarop voedsel voor de mens werd verbouwd. De boer had ook schapen en die werden geweid op de heide, bijvoorbeeld op de Heuvelrug. In de winter stonden de schapen in de potstal en hun mest werd vermengd met heideplaggen. Dat mengsel werd gebruikt om de akkers te bemesten. De heide was beperkt in oppervlakte, dus ook het aantal schapen en dus ook de hoeveelheid potstalmest en dus ook de oppervlakte bouwland, de hoeveelheid verbouwd voedsel en het aantal mensen, dat ervan kon leven. Het sterftecijfer lag hoger en het geboortecijfer bleef laag, doordat veel mensen door gebrek aan een inkomen gedwongen ongehuwd bleven. De lagere gebieden bij de beken en tussen de dekzandruggen werden als weiland en hooiland gebruikt.

Door de kunstmest veranderde er veel. De schapen waren niet meer nodig als mestproducent. De heide kon ontgonnen worden. De boeren schakelde over op een vorm van veehouderij, waarbij op de akkers vooral veevoer werd verbouwd, terwijl de producten van de veehouderij: melk, vlees, eieren werden verkocht. Na de Tweede Wereldoorlog bleken deze bedrijfjes veel te klein om een redelijk inkomen op te leveren. Aanvankelijk schakelde de boeren over op intensieve veehouderij in enorme stallen en kippenschuren, waarbij veevoer werd gekocht. Dat leverde overbemesting op en flinke stankoverlast van varkenshouderijen en het uitrijden van de mest. Dat kon je vroeger goed merken. Nu kreeg ik sterk de indruk, dat veel boerderijen geen agrarische bestemming meer hebben en dat de paar overgebleven boeren op veel grotere schaal aan rundveehouderij doen, waarbij ze over een veel grotere oppervlakte grasland en maisakkers beschikken. Het lijkt, dat de situatie weer evenwichtiger is geworden. Aanvullende inkomsten krijgen de boeren uit hun boerderijwinkels of een minicamping.

Een aantal landgoederen en versterkingen van de Grebbelinie zorgen verder voor afwisseling in het landschap. Er zijn veel fietsroutes, sommige gemarkeerd en je kunt er ook langs knooppunten fietsen. Zo zorgt ook de Vallei ervoor, dat de provincie Utrecht de op een na mooiste provincie van het land is. Nu maar hopen, dat we het zo houden.

Jaargang 3, Nr. 124.

Automobiliteit in de agglomeratie Utrecht 2

vrijdag, augustus 6th, 2010

EEN HEEL BREDE RING ROND UTRECHT 2 

In een vorige Column van de Week, nr. 20 over dit onderwerp schonk ik al aandacht aan de motieven van automobilisten. Ik wees op hun gewoontegedrag, dat neigt naar verslaving, op de gehechtheid aan hun beste kameraad, de auto en op het zoeken naar een moment van privacy tijdens de dagelijkse autorit naar het werk en terug. Een file verlengt het genot alleen maar. We wezen op de auto als statussymbool. Ik wil nu wat dieper gaan graven. 

Een automobilist is niet dom. Hij weet vanzelfsprekend best, dat er aan die heerlijke auto en aan de automobiliteit in het algemeen ook nadelen kleven. Honderden doden en duizenden gewonden per jaar in Nederland alleen al, milieuvervuiling en daardoor gezondheidsklachten, ruimtebeslag, zodat die ruimte niet voor iets anders gebruikt kan worden, aantasting van het landschap, waarvan het waardeverlies zelden als kostenpost wordt meegerekend, versterking van het broeikaseffect in de atmosfeer met een klimaatcrisis als gevolg, die onmetelijke schade veroorzaakt en tevens kostbare aanpassingen vergt en aantasting van de vitaliteit van de automobilist, die te weinig beweegt. Het vele autogebruik maakt het openbaar vervoer minder rendabel en dat leidt weer tot verwaarlozing. De vele files betekenen een forse schadepost voor het bedrijfsleven en de automobilist kan het geld voor de auto niet besteden aan andere leuke dingen. Dat weten we allemaal al jaren en toch gaan we door in hetzelfde autosysteem. Het enige wat we doen is “ Kurieren an Symptom”. We proberen de weg en de auto veiliger te maken om zo het aantal verkeersslachtoffers te verminderen. We maken de auto’s schoner en zuiniger. We maken de dijken hoger. 

Waarom volharden de meeste automobilisten in hun gedrag? Er is sprake van een “sociaal dilemma”. Waarom zou ik stoppen met per auto naar mijn werk te gaan, als drie miljoen anderen vrolijk doorgaan met autorijden? Door mijn verandering van gedrag verandert er niets. De problemen blijven even groot. 

Automobilisten weten heel goed, dat het vele auto rijden nadelen heeft en toch veranderen ze hun gedrag niet. Net als rokers, die elke keer weer lezen, dat roken dodelijk is en vrolijk doorgaan. In de psychologie heet dat “cognitieve dissonantie”, een onprettig gevoel, wanneer je weet, dat je iets fouts doet en er toch in volhardt. Om dat onprettige gevoel kwijt te raken probeer je de negatieve gevolgen weg te redeneren. Dat beetje auto rijden van mij is niet van betekenis. Er zijn er genoeg, die nog veel meer rijden. Of ik heb een heel schone en zuinige auto, dus het valt bij mij wel mee. De automobilist bedenkt ook allerlei redenen, dat hij wel moet auto rijden. Hij kan niet zonder. Het alternatief kost te veel tijd. Het openbaar vervoer is te duur. Als iemand auto rijden alleen maar als prettig en comfortabel ervaart, dan denkt hij niet aan al die negatieve aspecten. Of als hij een auto van de zaak heeft, dan is het wel heel vreemd als je die niet gebruikt. De verantwoordelijkheid wordt bij de baas gelegd. 

Als je de automobiliteit wilt beheersen heeft een aanpak gericht op de individuele automobilist weinig kans van slagen. Het sociale dilemma moet worden doorbroken en er moet niet de mogelijkheid zijn de cognitieve dissonantie weg te redeneren. Naar mijn mening kan dat alleen door een vorm van een verplichting, die iedere automobilist opgelegd krijgt. Die verplichting kan worden opgelegd door de overheid en dat blijkt heel moeilijk. Die verplichting kan ook komen van het bedrijfsleven, dat er immers zeer veel belang bij heeft, dat de files verdwijnen. Daarbij kan de aanpak gericht zijn op het belonen van goed gedrag of op het straffen van slecht gedrag of een combinatie daarvan. 

Eerst het bedrijfsleven. Het heeft in de afgelopen halve eeuw Nederland extreem autoafhankelijk gemaakt. De overheid is daarin meegegaan. De eis om in je werkgemeente te wonen is vervallen. Er worden forse reiskostenvergoedingen gegeven van onbeperkte duur of werknemers krijgen gemakkelijk een leaseauto van de zaak. Bedrijven zoeken vaak een vestigingslocatie aan de snelweg en ver van een halte van hoogwaardig openbaar vervoer en ver van de woongebieden. Bij de bedrijven wordt gezorgd voor ruime gratis parkeergelegenheid. Het wordt tijd, dat het bedrijfsleven gaat inzien, dat het zelf verantwoordelijk is voor de files. Ik denk, dat dit inzicht bij de specialisten al bestaat. Maar veranderen is moeilijk. Meer mobiliteitsmanagement en er daarbij vooral op wijzen, dat de alternatieven voor de auto aantrekkelijk zijn en door belonen nog aantrekkelijker kunnen worden. Elke drie jaar de aanschaf van een fiets vergoeden. In plaats van de leaseauto een gratis OV jaarabonnement. Een vergoeding voor een werkplek thuis en één of meer dagen per week thuis werken toestaan. 

Wat de overheid zou moeten doen, wordt in de Kracht van Utrecht al duidelijk omschreven. Zorgen voor een dicht net van Hoogwaardig Openbaar Vervoer en een prima fietsnetwerk en eigenlijk ook het beprijzen van het autorijden. Tot nu toe blijft het nog te veel bij kleine maatregelen tegen de leaseauto, maar het echt veranderen van het systeem, daarvan merken we nog niets. Tot het te laat is.

 

Jaargang 3, Nr. 123.

Eens verkenner, altijd verkenner!

zaterdag, juli 31st, 2010

SCOUTING IN NEDERLAND HONDERD JAAR JONG 

Ik was een dagje op de JubJam100, de jubileum jamboree van Scouting Nederland in de Maasuiterwaarden bij Roermond. Daar kampeerden ruim tienduizend jongens en meisjes met hun leiding en de vele hulpkrachten. Ik was benieuwd hoe Scouting veranderd was sinds ik in 1946 als twaalfjarige verkenner werd en in 1982 afscheid nam. De verschillen zijn groot, maar gelukkig de overeenkomsten ook. Toen, in 1946 was Nederland een arm land. Sommige dingen waren nog op de bon. Textiel was schaars. De uniformen waren bijeen verzameld en een verkennershoed was een zeldzaamheid. We hadden weliswaar witte patrouilletenten, maar daarmee moest je erg voorzichtig zijn bij regen. We sliepen op strozakken in dekenzakken met dekenspelden vastgemaakt. Donzen slaapzakken en luchtbedden waren een onbekende luxe. We kookten op houtvuur en dat betekende elke keer weer pannen schuren. Een DVD bij het herdenkingsboek geeft er een mooi beeld van. De tenten van nu zien er heel wat degelijker uit en er zijn gewone tafels en banken en stoelen en er wordt gekookt op gas. Houtvuur mag niet meer en zeker niet op de grond.. Hier zou het helemaal te gevaarlijk zijn met alle tenten zo dicht opeen. Koken op houtvuur is voor een keertje leuk ,net als steen grillen of een barbecue. 

Het echte verschil zat veel meer in de enorme variëteit aan activiteiten: Zendamateurs, internetcafé, communicatie, toneelimprovisatie, grimeren, streetdance, schilderen en boetseren, scoutingspullen verzamelen, postzegels verzamelen, kampkrant, kampradio en scoutingTV, modelvliegen, roeien, kanoën en zeilen en buiten het kamp zwerftochten en stadsbezoek. Ik zag zelfs een wellnesstent.  Veel van die activiteiten vond je rond Jubilee Plaza, het centrale plein met een café, een Pizzatent, een snackbar, een supermarkt, de Scout-shop en een tentoonstelling van honderd jaar scouting. Het zijn dan ook doorsnee jongens en meisjes, die hier rondlopen. Velen in hun gewone kleding en anderen min of meer in een uniform, dat overigens heel wat vlotter staat als het traditionele uniform van vroeger. Daaraan doet het nauwelijks nog denken. Je zou het haast vergeten doordat het je niet meer opvalt, maar Scouting is nu iets van jongens en meisjes samen, terwijl dat vroeger strikt gescheiden was. 

Toch zijn al die uiterlijkheden en activiteiten niet het wezenlijke waar scouting om draait en wat scouting voor mij zo waardevol maakte. En voor al die meisjes en jongens vandaag nog steeds. Voor mij is wezenlijk, dat scouting nog steeds bepaalde waarden probeert hoog te houden: onderlinge verbondenheid, iets voor een ander over hebben, internationale broeder- en zusterschap, trouw, liefde voor de natuur, maatschappelijk plichtsbesef, eerlijkheid en openheid. In deze columns heb ik al vaker mijn bezorgdheid geuit over het verlies aan dergelijke waarden, dat je in onze samenleving bij te velen kunt constateren. Een andere belangrijk punt is het patrouillesysteem. Een groep is onderverdeeld in groepjes van zes kinderen, die nauw samenwerken, waarbij er één de leiding heeft. Voor mij zelf weet ik, dat ik daarvan in mijn werk en bij allerlei andere activiteiten enorm heb geprofiteerd. Van scouting word je meer mens. Dat is goed voor het kind en goed voor onze samenleving. Zo kun je de woorden van de stichter, Lord Robert Baden Powell waar maken: “Laat de wereld een beetje beter achter dan je haar gevonden hebt!”

Jaargang 3, Nr. 122.

Leven in Odijk

dinsdag, juli 27th, 2010

Dit artikel is gepubliceerd in de Odijkse editie van Open Venster, het parochieblad van de Paus Johannes XXIII parochie in het Krommerijngebied en wel in het juli-augustusnummer van 2010. 

Christelijke waarden en de verkiezingen 

Op de dag van de verkiezingen kwamen vertegenwoordigers van meerdere godsdiensten: Joden, Hindoes, Boeddhisten, Islamieten, Oosters-orthodoxen en Protestanten naar Utrecht om daar tezamen hun stem uit te brengen. Ze wilden hun onderlinge solidariteit tot uitdrukking brengen en laten zien, dat geen van hen achtergesteld mocht worden. Iedere mens is in Gods ogen evenveel waard. Het was een initiatief van de Raad van Kerken, waarin alle kerken vertegenwoordigd zijn, ook de Rooms-katholieke Kerk. Maar een Rooms-katholieke vertegenwoordiger ontbrak. Ik vond dat nogal pijnlijk, maar voor de betreffende bisschop was het die dag onmogelijk naar Utrecht te komen. Zo ontbraken er van meer kerken afgevaardigden. Ze werden door de andere leden van de Raad van Kerken vertegenwoordigd. Ik heb er maar eens naar geïnformeerd!  

Helpt het?
Worden mensen door zo’n gebaar van onderlinge solidariteit op andere gedachten gebracht? Gaan ze zich allerlei christelijke waarden opeens weer herinneren? De uitslagen wijzen er niet op. Deze verkiezingen weerspiegelen heel duidelijk de huidige maatschappelijke tendensen, waarbij naastenliefde, gerechtigheid, medegevoel, onderling begrip, eerlijkheid, hoffelijkheid en beleefdheid, gastvrijheid, barmhartigheid en trouw steeds minder een rol spelen. De maatschappij is harder geworden en zelfzuchtiger. En vooral bij jongeren zie je dat doordat hun opvoeders nooit duidelijke grenzen gesteld hebben. De jongeren onder de vijfentwintig jaar worden daarom wel de grenzeloze generatie genoemd.. Steeds meer mensen laten zich bij hun keuze vooral leiden door eigenbelang. Rekening houden met de ander is er niet meer bij.Gelukkig er zijn nog heel veel goede mensen voor wie christelijke of humanistische of socialistische of andere idealen nog steeds gelden, maar in de uitslagen vind je hun positieve levenshouding nauwelijks meer terug. Er gebeuren nog vaak heel goede dingen. Soms speelt daarbij het eigen belang een rol. We moeten namelijk goed beseffen, dat als heel veel mensen zo’n egoïstische levenshouding hebben dat niet alleen onze samenleving aantast, maar ook een bom is onder onze welvaart. Probeer een bedrijf of een instelling maar eens goed te laten draaien als vrijwel alle werknemers zich egoïstisch opstellen. Het wordt tijd, dat we ons dat realiseren en dat vooral opvoeders daarover gaan nadenken. Welke levenshouding leef ik mijn kinderen voor? Welke eisen stel ik en welke grenzen? 

En Odijk?
Toen ik ruim 43 jaar geleden in Odijk kwam wonen, viel ons onmiddellijk de open houding van de Odijkers op. We voelden ons echt welkom. Al snel werden we bij van alles betrokken. Ik werd lid van het Parochieberaad, bemoeide mij met de verkennerij en eind 1972 richtte ik met Lettie en Willy de scoutinggroep op. In die tijd was iedereen actief en er gebeurde echt van alles.Die open houding is er nog steeds. Iedereen is ook vandaag welkom, maar voortdurend vang ik tekenen op, dat sommige nieuwkomers zich afsluiten voor de gemeenschap. Ze worden nergens lid van, leven hun eigen leventje, doen de deur niet open voor een collectant en groeten je niet op straat. Het lijkt of ze hun stedelijke mentaliteit niet kwijt raken. Mensen hebben moeite met de inburgering. Ze kunnen zich maar moeilijk aanpassen.U moet zelf maar eens naar de verkiezingsuitslagen kijken en u afvragen of je daar die levenshouding in weerspiegeld ziet. Ik ben er niet gerust op. Misschien moeten we ons met flink wat Odijkers gaan afvragen hoe wij die mensen kunnen helpen, hoe wij ze bij van alles kunnen betrekken. We zouden eigenlijk ook een dorpsraad of een dorpsvereniging moeten hebben.

De Oranjemis in Obdam

vrijdag, juli 23rd, 2010

GELOOFSVISIES ZULLEN BLIJVEN BOTSEN 

Pastoor Vlaar krijgt een bezinningsperiode van twee maanden opgelegd. Hij mag wel terug naar zijn parochie in Obdam. Maar het is geen conflict over de Oranjemis tussen de pastoor en de bisschop. Het is het conflict tussen een bisschop en het volk. Als je de brief van de bisschop leest, blijkt, dat hij alle contact met de hedendaagse gelovigen heeft verloren en geen benul heeft van hun manier van geloven. Wat hij waarneemt interpreteert hij heel anders dan het werkelijke denken en voelen en geloven van de mensen van vandaag. Dat is de tragiek voor de meeste behoudende Nederlandse bisschoppen en het duidt op het totaal mislukken van de tactiek van de paus en de Romeinse Curie om de problemen in de Nederlandse kerk op te lossen door maar zo veel mogelijk uiterst traditioneel denkende bisschoppen te benoemen. 

Zelf heb ik niet zo veel met het huidige topvoetbal. Het is een vorm van entertainment, waar enorme financiële belangen mee gemoeid zijn. Veel profvoetballers oefenen hun beroep op een goede manier uit. Ze presteren beroepsmatig heel veel. Maar het gaat om het geld. Sportief spelen is geen doel. Misschien nog wel om de voorstelling fraaier te maken zolang het geen geld kost. Maar met mijn idee over sport heeft beroepsvoetbal weinig te maken. Het is geen leuke vrijetijdsbesteding. Fit blijf je niet omdat het lekker voelt, maar omdat je dan meer geld kunt verdienen. De educatieve waarde van de amateursport wordt door het profvoetbal vaak teniet gedaan. Ik realiseer me, dat dit geen populaire uitspraken zijn. Het moet duidelijk zijn, dat ik niet schrijf als een te emotionele voetbalgek. 

Veel mensen vonden de spanning, de opwinding, de ontroering soms, het enthousiasme, de blijheid van het samen beleven van dit enorme festijn geweldig. Het vulde weken lang hun leven. Daar buiten was er weinig van belang. Zo komt men ertoe voetbal de religie van deze tijd te noemen. Mensen krijgen hemelse gevoelens. Voetballers worden als heiligen vereerd. Ze zijn voorbeelden voor de jeugd. Voetbal draagt bij aan je geluk. Voetbal versterkt het gemeenschapsgevoel. De voetbalsuccessen zouden bijdragen aan een groter optimisme aangaande de economische situatie. 

Wilde pastoor Vlaar meeliften op het succesvolle WK? Zo’n opportunist lijkt hij mij niet. Ongetwijfeld is er in zijn parochie een goed functionerende werkgroep liturgie. Ook die mensen waren er vol van. Een goed uitgangspunt is dan bij al die emoties aan te sluiten in de viering van de Eucharistie. Ze gingen nadenken over overeenkomsten. God oordeelt over ons doen en laten. Hij is als een scheidsrechter. Die fluit als er iets aan de hand is, zoals in de kerk een bel geluid wordt. Als het goed is, is ons leven op God gericht. Hij is ons doel. Zoals bij het voetbal de bal in het doel van de tegenstander moet belanden. Voetbal is ook een teamsport. Goed samenwerken in het team geeft een grotere kans op succes, zoals je ook samen parochie bent. 

Hoe geef je dat vorm? Hoe zorg je dat de boodschap overkomt bij de mensen in de kerk? Een belangrijk uitgangspunt van de liturgische vernieuwing, sterk ondersteund door het Tweede Vaticaanse Concilie, is, dat men veel meer moet aansluiten bij de plaatselijke cultuur. Dat heeft pastoor Vlaar  en zijn parochie volop gedaan. Je ziet dat ook bij het fenomeen Carnavalsmis. Dat is vaak een vrolijke boel.  

Maar de heiligheid van de Heilige Eucharistie wordt zo aangetast, schrijft de bisschop. Een doel op het priesterkoor; dat kan toch niet.. De bisschop heeft een heilige eerbied voor het altaar. Want daar is God aanwezig. De Almachtige, de Alwetende, de Gestrenge, de Wrekende, de Enige God. Zijn manier van denken lijkt meer op de Oudtestamentische omgang van de Israëlieten met het heilige. Dit Godsbeeld kwam tot uiting in het schilderij met een driehoek en daarin het alziende oog. 

Maar de betrokken gelovige van vandaag wil vooral het leven van Jezus van Nazareth naleven, doen zoals Hij. En door Jezus komt men tot de Vader. En God wordt ervaren als je beste vriend, die dichtbij jou staat en jou helpt en mensen op jouw weg stuurt, die jouw hulp nodig hebben. God is daar te midden van ons als we samen naar het voetbal kijken of samen ons werk doen of sport bedrijven en vooral als wij samen Eucharistie vieren en doen zoals Jezus ons heeft voorgedaan. Wat bisschop Punt zegt, dat het allemaal gezellig en leuk moet zijn is in werkelijkheid  voor de mensen een diepe religieuze ervaring, samen vieren, er zijn voor elkaar, gesteund door Gods Geest, met Jezus van Nazareth als voorbeeld en de Vader dichtbij.

 

Jaargang 3, Nr. 21.

Automobiliteit in de agglomeratie Utrecht

vrijdag, juli 16th, 2010

EEN HEEL BREDE RING ROND UTRECHT 

Een heel brede ring van honderdduizenden auto’s met stank, lawaai, fijn stof en een walm van giftige gassen ligt rond de stad Utrecht. Vaak staat het er al stil en dat maakt het alleen maar erger. En dan ook nog die honderdduizenden auto’s die elke dag de stad binnen komen en weer verlaten. Het is niet erg gezond om in een hedendaagse grote stad te wonen. De autolobby en dienstbare politici van de rechtse partijen willen het allemaal nog erger maken. De auto’s moeten in beweging blijven en de stad moet bereikbaar blijven; voor auto’s wel te verstaan. Een groot deel van de bevolking begint het beu te worden. De uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen lieten dat ook duidelijk zien. Er waait een andere wind in Utrecht. Nu ook nog een goede uitslag volgend jaar voor de statenverkiezingen en de provincie kan gered worden van totale vergiftiging en asfaltering. 

Kan het anders? Wat rationeler denkende mensen van “De Vrienden van Amelisweerd” vroegen zich af wat de Kracht van Utrecht is en bedoeld is de gehele agglomeratie Utrecht. Volgens mij is dat het aangename woon- en leefklimaat, dat, gevoegd bij de centrale ligging Utrecht aantrekkelijk maakt voor hoogwaardige bedrijvigheid. Als iedereen er graag wil wonen en iedereen er graag zijn bedrijf of instelling wil vestigen geeft dat een forse uitbreiding van het bebouwde oppervlak en natuurlijk ook veel meer mobiliteit. Veel werknemers blijven in de omliggende provincies en zelfs verder weg wonen en reizen dagelijks heen en weer. Zo komt dat aangename woon- en leefklimaat wel in gevaar. Hoe kun je dit voorkomen? 

Ongeveer tweederde van het verkeer op de Utrechtse Ring is agglomeratieverkeer. Je rijdt over de Ring tot de wijk van je bestemming en gaat dan de stad in. Er is ook een Binnenring en er zijn de singels, maar door de vele verkeerslichten zijn ze weinig aantrekkelijk. Als van die 700.000 lokale automobilisten er honderdduizend zouden kiezen voor de fiets of het OV zou de Ring in het geheel niet verbreed behoeven te worden. Als je een halve eeuw lang vooral de auto-infrastructuur hebt uitgebreid en veel minder hebt gedaan aan goede fietspaden: breed, vlak, autovrij en liefst kruisingvrij; dan wordt het nu de automobiliteit uit de hand loopt wel moeilijk automobilisten uit hun tweede huis , de auto te krijgen. Het plan “De Kracht van Utrecht” voorziet dan ook in een uitgebreid net van Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) en een comfortabel fietsnetwerk. De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen om dit plan als volwaardig alternatief in de onderzoeken mee te nemen. 

Een automobilist is een vreemdsoortig wezen. Hij/zij vertoont kenmerken van verslaving. Probeer een roker eens zijn sigaret te ontnemen of een alcoholist de fles. Zelfs bij het mogelijke succes van gedwongen afkicken worden vraagtekens geplaatst. De auto is iemands beste vriendin. Er is iets van een liefdesrelatie. De auto biedt je de mogelijkheid te ontsnappen aan allerlei beslommeringen. In de file kun je er nog langer van genieten. Automobiliteit lijkt voor velen een fundamenteel mensenrecht. Je kunt mensen toch niet hun autootje afnemen. Voor anderen is de auto een statussymbool, zelfs als het een lease-car van het werk is. Want hoe mooier de auto, hoe meer jouw baas je waardeert. 

Hoe breng je een automobilist op andere gedachten? Een eerste vereiste is inzicht, begrijpen, dat doorgaan op deze weg tot het totaal vastlopen leidt. Steden, de belangrijkste werkgebieden hebben maar een beperkte capaciteit aan wegen en parkeergelegenheid. Meer en bredere wegen brengen maar tijdelijk verlichting en leiden elders tot problemen. Als je Utrecht ongehinderd kunt passeren, gaan er nog meer met de auto naar andere Randstadsteden. Daarnaast inzicht in alle negatieve effecten, die we eigenlijk ons zelf en anderen aandoen. Zou je mensen zover kunnen krijgen, dat ze het inzicht ook echt aanvaarden, dat het asociaal is van je auto gebruik te maken als het ook per fiets kan of met het openbaar vervoer? Tot slot een persoonlijke ervaring. 

Ik had in een brugklas vertelt over vervoer en uitvoerig allerlei nadelen – naast de voordelen – van de auto behandeld. De klas luisterde echt aandachtig. Dat merkte ik, toen een klein blond jochie zijn vingen opstak en zei: “Maar meneer, u komt toch ook zelf elke ochtend met uw auto!” Dan sta je met de mond vol tanden. Ik gaf toe, dat ik ook in het systeem zat opgesloten. Maar een tijd later was het Kerstvakantie, de tijd van de goede voornemens. Ik besloot voortaan met de bus en de sneltram te gaan. En dat heb ik de rest van mijn loopbaan volgehouden.

 

Jaargang 3, Nr. 20.

Buurtpastoraat Utrecht

zaterdag, juli 10th, 2010

PRESENTIE: ER ZIJN VOOR DE MENSEN 

Een hulpverleenster was op bezoek in een gezin, dat zij moest begeleiden. Er ontstond een spannende situatie. Nu kon ze goed werk doen, maar de tijd was op en ze vertrok. De werkelijkheid van het welzijnswerk vandaag aan de dag. Buurtpastores zien het als hun roeping present te zijn in de wijk en te helpen waar ze kunnen en zo lang als het nodig is. Zoals een herder er altijd is voor zijn schapen: bij onrust of ziekte of verwonding of het lammeren of het scheren. Wanneer ze verloren lopen of aangevallen worden door verwilderde honden. Niet voor niets gebruikte Jezus van Nazareth zo vaak het beeld van de herder. 

In de meeste grote steden werken deze buurtpastores. Ik leerde ze kennen in Rotterdam, maar al jaren volg ik het werk van de twee Rooms-katholieke buurtpastores in Utrecht. Titus werkt in de Rivierenwijk, een arbeidersbuurt tussen het Merwedekanaal en de Vaartse Rijn in het zuiden van de stad. Hij begeleidt en stimuleert vooral de initiatieven van de bewoners zelf. Het is een gemengde buurt en dan vraagt samenwerken veel van de bewoners. Het is niet gemakkelijk bij alle verschillen elkaar toch te begrijpen en elkaar aan te voelen en dan samen besluiten te nemen en de verantwoordelijkheid nemen de besluiten uit te voren, je daar voor in te zetten. Zo hebben de bewoners het voor elkaar gekregen buurthuizen te behouden en ze in eigen beheer te nemen. Anders waren ze weg bezuinigd. Zo heeft de wijk ook een voedselbank en een wijkkrant in eigen beheer. Titus bemiddelt en begeleidt en denkt mee en zo komt hij met mensen in contact, die hem ook weten te vinden met hun persoonlijke problemen. Zo komt hij ook tot individueel pastoraat naar mensen, die al lang alle contact met de officiële kerk verloren hebben. Het mooie is nog, dat de ervaringen van buurthuizen elders in Utrecht worden uitgewisseld met de ervaringen in de Rivierenwijk. Zo worden wijken weer leefbaar. 

Monique heeft een meer individueel gerichte aanpak al werkt ze ook wel met groepjes. Ze is begonnen met op een bankje te gaan zitten in de speeltuin De Duizendpoot in de Daalse buurt bij het begin van de Amsterdamsestraatweg. De kinderen wilden wel weten wie ze was en zo kwam ze in contact met de kinderen en met de gezinnen. Dat is al weer jaren geleden. De kinderen van toen zijn volwassen en hebben nu een eigen gezin. Maar de nood in de wijk is gebleven. Ze komt in gezinnen met een veelheid aan problemen. Alhoewel de verschillende hulpverleners beter met  elkaar zijn gaan overleggen is bemiddeling in die richting nog steeds nodig. Monique werkt vooral met kinderen en werkt nauw samen met de mensen van de speeltuin. Elk kind heeft wel eens een probleempje, maar dan zijn er een vader en een moeder, die de problemen oplossen of deskundige hulp weten te vinden. Deze kinderen uit de multicultibuurt hebben het wat dat betreft moeilijker. De moeder van een slechtziend kind heeft een afspraak met een instelling voor slechtzienden. Maar ze moet de school bellen, dat haar kind afwezig zal zijn. Dat durft ze niet, want haar Nederlands is nog niet best. Grote zus moet het maar doen, maar die pint haar moeder vast. Jij moet het doen. Jij bent de moeder. De volgende morgen durft ze toch niet en dan belt de oudste dochter. Maar ze biecht het eerlijk op en Monique heeft met haar een goed gesprek over haar onzekerheid. Kleine kinderen worden pubers en die hebben zo hun eigen probleempjes. 

Tot slot een citaat: “aan het eind van het zwemmen met een groepje kinderen duik ik iets eerder dan zij onder de douche. Ik spoel mijn haren uit en krijg een duwtje van opzij. Hé M’nikie! Naast mij staat Mo, inmiddels een kop groter dan ik ben en jonge vader. Dat is lang geleden. Met het gezin waar hij uitkomt, trok ik jaren lang op omdat er veel aan de hand was. Hij vraagt hoe het met mij gaat en doe je nog steeds zwemmen met de kinderen uit de buurt? Ik doe het nu ook met mijn eigen kinderen en hij toont ze trots. Hij vertelt, dat hij een baan heeft en in de buurt van het zwembad woont en elke week gaat zwemmen met ze. Vertelt over de rest van de familie, die al lang verhuisd is uit de buurt: dat het goed gaat. Ondertussen staan we knus onder die douche alsof we weer even terug zijn in de tijd. Het doet me goed, deze ontmoeting.” 

Ik hoop maar, dat er straks weer jonge mensen gevonden worden, die Monique en Titus gaan opvolgen.

Jaargang 3, Nr. 19.

Manifest voor Verdraagzaamheid

zaterdag, juli 3rd, 2010

MINDERHEDEN ERVAREN MEER ONVERDRAAGZAAMHEID 

Ik onderteken een “Manifest voor Verdraagzaamheid” en in het Journaal zie ik beelden van een dubbele zelfmoordaanslag op een Soefimoskee in Pakistan en lees erover in de krant. Soefi’s vormen een Islamitische sekte, die een wat vriendelijkere en vreedzamere vorm van de Islam voorstaan. Weliswaar zijn er miljoenen Soefi’s, maar binnen de Islam vormen ze een minderheid. Ze worden als ketters beschouwd en vaak gediscrimineerd en vervolgd. Zo lees je vaker over discriminatie van religieuze of levensbeschouwelijke groepen, die in toenemende mate onverdraagzaamheid en erger ervaren. In delen van India werden christelijke kerken verwoest en christenen gedood. Fanatieke Hindoes zijn de daders. Christelijke kerken vinden hun aanhangers vooral onder de Dalits, de kastenlozen Binnen de christelijke gemeenschappen emanciperen ze. Dalits zijn priester geworden zelfs bisschop. Voor mensen uit de hogere kasten is dit moeilijk verteerbaar. Irakese christenen zijn hun land massaal ontvlucht In Algerije zijn al weer enkele jaren geleden katholieke monniken vermoord. Ze missioneren er niet. Ze zijn er voor de mensen. Ze proberen tot dialoog te komen. Zo heeft “Cordaid Mensen met een Missie” een deskundige uitgezonden naar Kenia om christenen, Islamieten en Hindoes te helpen tot interreligieuze dialoog te komen. Aan de Nijmeegse Radboud Universiteit heeft zij dit vak gestudeerd. Elkaar kennen, elkaar begrijpen, elkaars bedoelingen kennen en vooral elkaar vertrouwen verminderen de kans op interreligieuze conflicten. 

En Nederland? Systematische moordpartijen komen hier gelukkig niet (meer) voor, maar zijn er in het verleden wel geweest. Katholieken en  Protestanten kennen hun martelaren. Dat is al weer eeuwen geleden. De Jodenvervolging werd door de Nazi’s door hun rassenleer gelegitimeerd, maar de Joden vormen geen apart ras, misschien een volk en in ieder geval een religieuze groep. Antisemitisme was er ook in het vooroorlogse Nederland. Het werd ook gevoed door de Rooms-katholieke Kerk, die de joden eeuwen lang als Gods moordenaars heeft beschouwd. Eigenlijk is dat pas door het Tweede Vaticaans Concilie fundamenteel veranderd. Volgens persberichten is het aantal antisemitische incidenten in Nederland verminderd. Probleem is nu veel meer het onderscheid te maken tussen Jodendom en de staat Israël. Met name anders geïnformeerde Islamitische jongeren hebben daar moeite mee. Vooral het gedrag van een deel van de Marokkaanse jeugd versterkt de anti-Islamhouding. De overlast zorgt voor generaliseren. Bij sommigen kan “de Islam” geen goed meer doen. Populistische politici haken daarop in. Er is niets nieuws onder de zon. 

Alle religieuze groeperingen samen vormen in Nederland een minderheid. Elke groep apart dus zeker. Worden deze minderheidsgroepen gediscrimineerd? Er is toch officieel vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Ik kan het mij goed voorstellen, dat mensen het niet eens zijn met standpunten van religieuze leiders. Zelf ben ik het maar al te vaak niet eens met mijn aartsbisschop en zijn getrouwen. Hun gedrag is naar mijn gevoel naar groepen mensen discriminerend. Dat veroorzaakt vooral veel verdriet. Hun kille houding staat haaks op hun herderlijke opdracht. Zelf noemen ze het duidelijkheid. De leiding van mijn bisdom zou zich het Manifest voor Verdraagzaamheid heel sterk moeten aantrekken. 

In de Nederlandse samenleving ervaar ik maar al te vaak een houding van afwijzing tegenover alles, wat met godsdienst te maken heeft. Je ziet het in het fanatiek verdedigen van de openbare school en daarbij het afwijzen van bijzonder onderwijs, dat niet gesubsidieerd zou moeten worden. Je ziet het in het niet meer subsidiëren van instellingen van algemeen nut, maar op religieuze basis of het idee om de omroepen maar af te schaffen en te vervangen door een `neutraal`BBC-achtig systeem. Dan wordt er weer geroepen, dat in naam van de godsdienst zoveel kwaad is geschied en dat dat nog steeds gebeurt. Alsof de godsdiensten het monopolie hebben op het veroorzaken van narigheid. Wat voorgesteld wordt in naam van de godsdienst te gebeuren is veelal een zaak van politieke of maatschappelijke belangengroepen. 

Het allerergste vind ik, dat waar religies altijd stonden voor bepaalde waarden en dan op de eerste plaats de naastenliefde, de solidariteit er nu na het secularisatieproces geen tastbaar waardensysteem meer lijkt te bestaan, waaraan de mensen houvast hebben en dat ze hun kinderen als opvoeders kunnen voorhouden. Misschien is dat wel een van de diepere redenen voor de verminderde tolerantie in de samenleving. 

Wilt u het ˝Manifest voor Verdraagzaamheid˝ ook lezen en ondertekenen, ga dan naar www.manifestvoorverdraagzaamheid.nl . Het richt zich tot de media, de politieke partijen  nieuw te vormen kabinet.

 

Jaargang 3, Nr. 18. 

Wat is Nederland toch mooi

zaterdag, juni 26th, 2010

FIETSEND EN VAREND GENIETEN 

Het seizoen van wandelen, fietsen en varen is weer begonnen. Na de lange sneeuwrijke winter is mijn conditie weer op peil gekomen. En zo verliep de fietstocht door onze onvolprezen op één na mooiste provincie Utrecht weer vlotjes. Twaalf 55plussers waren komen opdagen. Vanuit Odijk fietsten we langs NS-Station Driebergen-Zeist langs Austerlitz naar Soesterberg. Dwars door het dorp heen kwamen we bij de afrastering van de voormalige vliegbasis Soesterberg. Daar had ik in de tachtiger jaren met duizenden andere demonstranten meegedaan aan de “omsingeling” van de basis als protest tegen de kernwapens. Nu konden we dwars over het vliegveld fietsen. Ik liet de brede orchis zien, die hier bloeit en op de startbaan dacht ik aan de duizenden keren, dat hier Amerikaanse F16’s startten, die vervolgens mijn lessen in Utrecht verstoorden of de rust in mijn tuin. Achter de basis sloegen we linksaf, kruisten de spoorlijn Utrecht Amersfoort en dronken koffie bij de “Lange Duinen”, een zandverstuiving, die door de provincie is uitgeroepen tot ‘Aardkundig monument’. Over het lijntje naar Baarn gingen we rechtdoor met Soest rechts en de bossen links, kruisten de weg Bilthoven – Baarn en fietsten door de bossen naar Lage Vuursche. We passeerden het Pluismeer, waarvan ik vermoed, dat het in een uitgewaaide laagte ligt in dit gebied met dekzand en stuifzand. De WZW-ONO richting wijst daar ook op. Na de pauze ging het verder over een licht slingerende zeer afwisselende route naar Hollandse Rading. We zagen de grenspaal met de provincie Noord-Holland en bedachten daarbij dat Rading grens betekent. Zo kwamen we in een open landschap tussen de bossen en het veen- en plassengebied, Door Maartensdijk en door Groenekan kwamen we op de Groenekanseweg en vlak na de overweg richting De Bilt sloegen we rechtsaf en fietsten over het Grootkampse pad, langs Fort Voordorp en het Voordorpse pad naar de Biltse Rading. We staken over en door het recreatiegebied bij Fort De Bilt kwamen we op de Biltsestraatweg en aan de overkant ging het door Rijnsweerd Noord en Rijnsweerd Zuid langs Zwembad Kromme Rijn door Amelisweerd en Rhijnauwen naar Bunnik en Odijk. Dat was een rondje van ongeveer 50 KM. Je kunt de route oppakken bij Driebergen-Zeist, bij Soest, bij Hollandse Rading, De Bilt, Utrecht en Bunnik. Door de week kun je in Driebergen-Zeist fietsen huren. Neem wel een goede fietskaart mee voor deze tocht door drie verschillende landschappen. 

Ik houd wel van contrasten! De volgende dag mocht ik als partner mee met de Biesbosexcursie van de Probusclub van mijn vrouw. Pensionado’s hebben toch maar een mooi leven. In het gebied Oostelijk van het Nationale Park de Biesbos worden agrarische gebieden ontpolderd om zo overloop gebieden te creëren en de rivier bij hoogwater meer ruimte te bieden. Daar is al een begin mee gemaakt. Opeens klopte mijn kaart niet meer. Die gaf de situatie weer van 2001. Waar toen het graan golfde, glinstert nu het water van “nieuwe natuur”. Tussen Noord-Brabant en de Randstad ontstaat hier een geheel nieuw natuur- en recreatiegebied. Rijkswaterstaat denkt erover om de Haringvlietsluizen vaker op een kier te zetten, zodat de getijverschillen toenemen. Bij een vaartocht bleek, dat de Biesbos nog steeds een heel bijzonder gebied is, maar vergeleken bij vroeger is het er niet mooier op geworden met al die onderbegroeiing in de grienden. Door de afsluiting van het Haringvliet gaat er meer water door de Nieuwe Waterweg. Zo wordt het zilte zeewater zo veel mogelijk terug gedrongen En dus vraag ik mij af, of dit bij open spuisluizen in de Haringvlietdam nog voldoende gebeurt. 

Het Biesbosmuseum is een bezoek zeker waard. Vanaf Werkendam wordt de route met ANWB-borden aangegeven. Het museum geeft vooral een beeld van de bestaanswijzen van vroeger. Hoe verdienden de griendwerkers, de rijswerkers, de rietsnijders, de mandenmakers, de stoelenmatters, de kuipers, de vissers en de boeren hun brood? Dat was niet echt om jaloers op te worden. Wat hebben wij dan een comfortabel leven. Het museum geeft ook een beeld van de natuur. Er zijn weer veel bevers!  Er zijn spannende verhalen over de crossers tijdens de laatste Oorlogswinter en de ondergrondse, die tientallen Duitse militairen krijgsgevangen maakten. Er is een werkelijk schitterende maquette van de plannen in dit gebied in het kader van “Ruimte voor de Rivier” .Je ziet de vloed binnenkomen en het water bij eb wegstromen. Je ziet hoe bij hoogwater in de Merwede het rivierwater door het gebied stroomt. Nieuwe fietspaden gaan het gebied ontsluiten en oude geulen worden in ere hersteld. Die Nederlanders blijven maar bezig met water en dijken en polders en de vernieuwing van de inrichting van ons land. Op naar de Biesbos dus!

 

Jaargang 3, Nr. 17.